, 18 September 2019

Uit eten met de familie

500 à 1.000 woorden

Vandaag een deel van een verhaal van Oscar Spaans dat hier verder te lezen is: 'Uit eten met de familie'.

*

‘Geloof mij nou,’ zegt oom Ton, die schuin tegenover mij aan tafel zit, ‘met die jongens hoef je echt geen medelijden te hebben. Het is een super-lucratieve business.’ Ik heb geen idee waar hij het over heeft, het gesprek is langs me heen gegaan omdat ik naar de andere gasten in het restaurant heb zitten kijken. Ik vraag me alleen maar af waarom hij zijn mededelingen zo vaak begint met een aanmoediging om hem te geloven.
Verder aan tafel zitten mijn oma, mijn tante, een paar nichtjes, nog een oom van wie ik niet zeker weet of het echt een oom is, en ik wacht tot iemand iets gaat zeggen, wat dan ook. Maar niemand schijnt er nog iets aan toe te willen voegen.

Ik prik het laatste krielaardappeltje aan mijn vork en stop het in mijn mond. Verder is iedereen uitgegeten. Naast me zit mijn neefje van twaalf over zijn iPhone gebogen. Mijn moeder glimlacht als ik naar haar kijk. Mijn vader houdt een leeg bierglas in de lucht en probeert de aandacht van een serveerster te trekken, maar ze ziet hem niet en loopt verder, en ik staar naar haar kont. De serveerster is blond en slank en ik vind haar niet echt aantrekkelijk, maar evengoed krijg ik een soort visioen waarin ze op haar buik op de achterbank van mijn vaders auto ligt, één knie op de vloer, en ik ruk haar spijkerbroek omlaag en… ‘Heeft het allemaal gesmaakt?’ vraagt een ober. Hij draagt een pistachekleurig schort en een wit overhemd dat te strak om zijn lijf zit. Ik herken hem van de havo, zo’n hoofd vergeet je niet. Alles zit erop – neus, ogen, mond – maar toch lijkt er iets essentieels aan te ontbreken, alsof hij niet helemaal af is.
Hij begint alle borden op zijn onderarm te stapelen. Daar kijk ik naar, niet naar zijn ogen, en ik steek mijn been iets naar buiten over het looppad heen – niet te veel, het mag niet opvallen. Iedereen zegt dat het eten lekker was, behalve mijn neefje van twaalf die al zijn groenten op zijn bord heeft laten liggen, en ook de helft van zijn kipsaté. Hij staart alleen maar naar zijn iPhone.
De ober stapt over mijn uitgestoken been heen. ‘Had iemand nog een kopje koffie gelust?’ vraagt hij. Hij vraagt het iets te vriendelijk naar mijn smaak, waardoor de zin zich in mijn hoofd blijft herhalen. Had iemand nog een kopje koffie gelust, had iemand nog een kopje koffie gelust, en hoe langer ik erover nadenk, hoe vreemder ik de zin vind klinken. In ieder geval hoop ik dat niemand ja zegt, maar oom Ton roept: ‘Een Irish Coffee voor mij, en niet zo zuinig met de whisky!’ Daarbij wrijft hij met zijn enorme handen over zijn buik en hij lacht onnodig hard. Mijn moeder vraagt om het dessertmenu. Dan bestel ik zelf ook maar koffie. Zwart, zonder suiker.
Als iedereen zijn koffie en desserts heeft besteld begint mijn oma plotseling te lachen, zonder dat daartoe een duidelijke aanleiding is. Hele korte, hoge lachjes stoot ze uit, en als mijn tante en oom daar ook, opnieuw, weer een beetje om beginnen te lachen zucht mijn oma plotseling diep en zwijgt dan, heel abrupt, alsof ze nooit enig geluid heeft gemaakt. ‘Ja ja,’ zegt ze nog wel. Maar daarna niets meer.
Ik kijk de eetzaal rond. Er moet minstens vijfhonderd man zitten, en dan is er ook nog een aparte zaal naast de ingang, die is voor de hotelgasten - de illusie van exclusiviteit moet ergens vandaan komen. Ik kijk naar het bedienend personeel dat tussen de met pluche bekleedde stoelen rondrent. Nieuwe gasten blijven binnenkomen. Ik zie geen onbezette tafels, toch is er op vrijwel ieder ogenblik wel een ober die zich voor een sjokkende familie uitsnelt op weg naar een voor hen bestemde tafel.
‘Zeg Nick, hoe gaat het eigenlijk op school?’ vraagt tante Inge, de vrouw van oom Ton, aan mij. Ik heet geen Nick. Mijn broer heet Nick. Ik heet Simon. Mijn ouders vonden dat veilige keuzes - namen waarmee we weinig kans liepen om mee gepest te worden. De toekomst is soms heel wreed. Maar daar kunnen mijn ouders niets aan doen.
‘Ga je ook gezellig mee uit eten na oma’s verjaardag?’ had mijn moeder gevraagd. Ik stemde ermee in, omdat ik altijd overal mee instem.
‘En jij, Nick?’ vroeg ze aan mijn broer, die direct nee zei. ‘Ik heb ook nog een eigen leven.’ Zijn directheid op de juiste momenten was iets wat ik altijd had bewonderd.
‘Kom op, ze is tachtig geworden,’ zei mijn vader nog. ‘Wie weet is dit haar laatste verjaardag.’
‘De vorige keer dat we met haar uit eten gingen deed ze haar pincode drie keer fout,’ antwoordde Nick, ‘en toen moest jij alles betalen. Dat gebeurt nu waarschijnlijk weer, en dan scheelt mijn afwezigheid je tenminste een euro of veertig.’
Mijn broer was een meester in het vinden van de gevoelige plekken van mensen in het algemeen en van mijn ouders in het bijzonder, en we gingen zonder hem naar Van der Valk.
‘Gaat goed hoor,’ antwoord ik mijn tante, ook al zit ik al drie jaar niet meer op school. Ik kijk naar mijn moeder en die glimlacht weer naar me, maar het is een ander soort glimlach dan daarnet. Mijn vader geeft me een knipoog en speelt met zijn nog altijd lege bierglas.
‘Ik ga pissen,’ zeg ik en sta op van mijn stoel. Mijn moeder zegt: ‘Nou, Simon, dat zeg je toch niet in een restaurant,’ en mijn neefje van twaalf komt plotseling tot leven en zegt: ‘Ik ga mee!’
Oom Ton pakt mijn neefje bij zijn arm en leunt opzij. ‘Hij kan hem heus zelf wel vasthouden hoor.’ Hij begint weer te lachen en laat de arm van mijn neefje los zodat hij weer met zijn hand over zijn buik kan wrijven. 
‘Ken je dit filmpje?’ vraagt mijn neefje en hij houdt zijn iPhone voor mijn neus.
‘Ja,’ zeg ik zonder te kijken.
‘En deze?’ vraagt hij en botst tegen de benen van een zakenman op. De man heeft een glas in zijn hand, een scheut bier klotst over de rand heen op zijn manchet.
‘Kijk toch uit je doppen, rotjoch,’ zegt de zakenman tegen mijn neefje, maar die heeft enkel aandacht voor zijn telefoon. Hij kijkt niet eens naar de man. Ik doe of zeg ook niks. We lopen verder. Maar de woorden van de zakenman herhalen zich in mijn hoofd, vooral die toon, alsof hij zich te goed voelt om überhaupt iets tegen ons te zeggen. Ik zie zijn kop voor me, met zijn dertien-in-een-dozijn-kapsel, en als we bijna bij de receptie zijn draai ik me om en loop terug het gangpad in.
De zakenman zit te eten. Ik zet mijn voet tegen de achterste poot van zijn stoel en trek zijn schouders ruw naar achteren. Met stoel en al klapt hij op de grond. Een paar tellen ligt hij heel dom om zich heen te kijken. Dan vliegt hij overeind en grijpt me bij mijn keel, en ik ben bang, maar zijn vrouw, iets te dik maar niet onaantrekkelijk, begint te huilen en jammert dat hij me met rust moet laten. Er loopt wat kwijl over de kin van de man. Ik ruik een mengeling van aftershave en zweet. En uit zijn mond, die vlakbij de mijne is, stinkt hij naar bier en knoflook.
‘Flikker op voordat ik je poten breek!’ blaft hij. Zijn vrouw legt een hand op zijn arm. Ze probeert te stoppen met huilen. ‘Toe, Erik, laat hem nou,’ zegt ze.
‘Je stinkt uit je bek,’ zeg ik als hij me heeft losgelaten en loop dan snel naar de toiletten, waar ik mijn neefje aantref, maar ik wil alleen zijn.
‘Ik moet schijten,’ zeg ik tegen hem en loop een van de hokjes in. Zonder mijn broek omlaag te doen ga ik op de bril zitten en leun achterover, mijn ogen gesloten. In gedachte zie ik mezelf herhaaldelijk een vork in de adamsappel van de zakenman steken. Vanuit het hokje naast me hoor ik een zacht, snel wrijvend geluid. Tussen het plafond en de schotten die de wc-hokjes van elkaar scheiden zit ongeveer twintig centimeter ruimte. Ik ga op de wc bril staan, maar kan nog steeds niet over de rand heen kijken. Ik houd mijn iPhone omhoog boven het schot uit en maak een video van een seconde of vijf. Als ik die terugkijk zie ik hoe een man van een jaar of veertig zichzelf zit af te trekken. De laatste twee seconden van de video doet hij zijn hoofd een beetje achterover. Zijn ogen zijn gesloten. Zijn mond staat half open, en met zijn voortanden bijt hij in zijn onderlip. Het wrijvende geluid in het hokje naast me is plotseling het enige geluid dat ik nog hoor, alsof het door de speakers van een geluidssysteem schalt, en ik voel dat ik hier heel snel weg moet.

twee reacties

Joke van Overbruggen

Inhoudelijk niets op aan te merken op Revisor maar die foto’s van een geschaafd mannenbeen

Joke van Overbruggen, - 18-09-’19 11:12
Joke van Overbruggen

Leuk verhaal van Oscar Spaans!

Joke van Overbruggen, - 21-09-’19 09:14
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog