04 September 2014

Aan het werk!

The Too Much Living Poets Society

Manuscript ingeleverd, wat een prettige lichtheid oplevert. Je kan altijd meer gedichten willen schrijven, je voornemen meer te schrijven, er niet zo moeilijk over te doen. En toch is de smalle trechter waar je in terecht komt als je een bundel samenstelt nodig, om de laatste aanzetten alsnog uit te werken en op de juiste plek te krijgen. En er vallen gedichten af, als overgebleven kruimels komen ze in een nieuw bakje. Iets over een taxichauffeur die in zijn zilveren Mercedes met een enorme kappersschaar in de achteruitkijkspiegel zijn peper en zout baard zit te knippen. Die taxi stond half op de stoep bij de Transvaalkade, waar altijd maanden te vroeg een oliebollenkraam komt te staan, op de grens van Amsterdam Oost en Watergraafsmeer. Iets over het harde plastic van compostzakken die pal onder de oppervlakte van het diepgroene water van een sloot in het Flevopark drijven, waarvan de punt boven het water uitsteekt. Amsterdamse notities, te weinig samengeklonken om een zelfstandig gedicht te worden. Iets ook over een peddelslag in een tunnelschacht. Eigenlijk zou een dichter alleen van restmateriaal mogen houden, voltooide gedichten zijn met de noorderzon vertrokken.

Toen ik veertig werd zei de Vlaamse tweelingbroer die ik nooit zal hebben, de dichter Paul Bogaert die exact op dezelfde dag geboren is als ik en in hetzelfde seizoen debuteerde en wiens vijfde bundel exact op dezelfde dag gepresenteerd werd als mijn vijfde boek, dat je tussen je veertigste en je vijftigste je beste werk zou moeten schrijven. Of dat ook lukt da's een tweede, het gaat meer om de inzet, nu moest maar eens werk gemaakt worden met dat schrijven, geen gedraal meer: An die Arbeit. Ik vind het logisch – misschien is dat de invloed van János Pilinszky – dat een dichter steeds minder schrijft. In het begin schrijf je veel, je bent bezig je stem te vormen door van alles uit te proberen. Later raken er simpelweg mogelijkheden bekneld, je leert inzien dat bepaalde zijwegen maar beter niet ingeslagen hoeven, je leert verder in de tunnel vooruit te kijken. Ik weet niet of die autocensuur altijd even prettig is. Het overbewustzijn, het te snel beseffen tijdens het schrijven zelf waar het heengaat. Geluk is het moment dat de lyriek het daarvan wint.

Bij het samenstellen van de nieuwe bundel (met erachter een keuze uit eerder werk) betrapte ik me opnieuw op de herhaling van een sjabloon. In de reeks ‘Naar Acedia’ volgt er na een observaties in een theaterzaal (‘een glimlach in een zakdoek gekneed tot een geeuw’) een tamelijk stellige wending: Niets ontgaat haar. Niemand ontgaat haar. Het is een citaat van Ingmar Bergman uit ‘Het zevende zegel’, terwijl de dood al schakende met de kruisridder nadrukkelijk zegt dat niets en niemand hem ontgaat, ontsnappen op hetzelfde moment de toneelspelers in de huifkar achter zijn rug, buiten zijn blikveld. Zij zijn op het eind van de film de enige overlevenden van de pest. Maar wat ontgaat de zij-figuur in ‘Naar Acedia’ dan niet? Het antwoord zit in de twee slotregels: ‘Een theedoek zonder motief. / Een brood zonder oven.’ Dat kwam terug in een nieuw gedicht. Net als in Naar Whitebridge stuit iemand op vijftien skeletten van paarden. Dan volgt de algemene, stellige regel ‘Niets rinkelt nog’. Gevolgd door twee voorbeelden: ‘Het kleed op de pianotoetsen. / De oorbel aan het eind van de lel’. Geen rinkelende tingeltangelpiano, geen tinkelende botsende sieraden. Geen rammelende paardenbeenderen.

Stelling, twee voorbeelden. Waar heb ik dat eerder gehoord? Waar komt het vandaan? In Waaigat, de derde dichtbundel van Esther Jansma, komt het dode kind terug als in een droom, het ziet gras voor het eerst en maakt kennis met lucht die beweegt. Maar het is een zinsbegoocheling, een stukje van haar wang druipt ‘roomdik’ weg over haar kin. Degene ‘die haar draagt’ maant het kind terug te gaan ondergronds. Dat is overdrachtelijk, wie haar draagt (in de droom) is ook wie het kind gedragen heeft, toen ze zwanger was, het op de arm nam voor het kind gestorven is. En dan komt het lyrisch verzet, nee, toch niet, niet terug het graf in, middels deze lyrische aanhef, met twee regels, twee voorbeelden waarom men niet de aarde in mag, en die regels vormen de slotstrofe:

Maar de geur van kamille.
Maar de zon op zijn hoogst.

Heet zoiets invloed? Werkt het onderhuids omdat het me ooit heeft geraakt en in mijn systeem is gaan zitten en het oprakel als ik me concentreer? Tussen je veertigste en je vijftigste zou je je beste werk moeten schrijven. Heimelijk houden schrijvers misschien wel meer van hun jeugdwerk, dat ze proberen te evenaren of overschrijven, overstijgen.

Het lukte voor het eerst aan de voltooiing van een manuscript te werken op wat daartoe een geëigende plek lijkt: op een hotelkamer tijdens een poëziefestival. Het nachtjastje begint op een gewapend motorvoertuig te lijken, je leest voor op een festival waar je ook nog voor nieuwe kopij zorgt. Het betekent dat het programma licht was, de kamer doenlijk, ook dat de druk van de voltooiing van het manuscript er was. Pilinszky noemde het leven een 'Lijnrecht labyrint' waarbinnen het steeds voller en steeds voller wordt, met de dag alleen maar voller. Festivals zijn plekken waar er geen plaats is voor nieuw werk, hoe internationaal de invloeden ook zijn, men is aangewezen op het reeds geschreven en vaak ook reeds vertaalde werk. Zouden er dichters bestaan die een continuïteit kunnen vinden in hun schrijven door zich te laten vertalen? Ik kan het me moeilijk voorstellen.

Samuel Vriezen citeerde ooit mondeling de volgende rake opmerking 'The time of memorising your poem you could have spend on rewriting it.' Je ziet een docent creative writing uit de language school het tegen zijn student-slammer opmerken. Je zou hetzelfde kunnen zeggen van vertaalateliers, workshops. Waarom je gedichten in allerlei talen laten vertalen voor ze af zijn, voordat ze echt heel sterk zijn? Ik ken het syndroom uit Slovenië, een beschaafd en rustig maar klein land met heel veel dichters, waar men het debuut soms direct in vier talen gelijk uitgeeft. Waar is dan nog de incubatietijd, het rijpingsproces? Leidt de Too Many Living Poets Society tot een nerveuzere internationale ambitie, de wens uit te treden uit het taalgebied? Ik vraag het maar – zoals de derde acteur in ‘Het zevende zegel’ zo vaak zegt.

Er is het programma Sunday in the village, waarin Thomas Verbogt dichters, schrijvers en singer-songwriters laat samenkomen. Aangename bijeenkomsten, buiten het geijkte literaire café, met een grote concentratie en enthousiasme van het publiek. De keer dat ik er aan deelnam zat er een Amerikaanse in het café. Na afloop vroeg ze om een vertaling. Je weet nooit precies wat zo’n vertaling overbrengt. Ze vertelde dat in Amerika zoveel dichters schrijfcursussen geven aan universiteiten, dat naar haar idee het hele dichterschap, de hele notie van kwaliteit, genivelleerd werd. Er zouden geen grote dichters meer bestaan na, vul maar in na wie. The time of memorising your poem you could have spent in rewriting it. Iedereen zou leren hoe je een gedicht in elkaar kon zetten. Ik weet het niet zo goed. Als je spreekt van een canon, kijk je altijd naar mensen van in de zeventig. Je hebt voor die tijd behoorlijk wat afvallers.

In Taiwan deelde ik ooit een programma met een Britse dichter die via Asialink in allerlei Aziatische landen cursussen gaf, ze leerde de deelnemers hoe in het Engels en niet in hun eigen taal middels free verse gedichten te schrijven. Een soort van poëtisch neokolonialisme. Weg met de lokale literaire tradities, versvormen, laten we allemaal in het Engels gedichten over beter omgaan met onze ouders schrijven. Therapeutisch verantwoord. Het was uiterst lief en goed bedoeld, maar ik voelde een verzet in me opkomen dat ik vaak bij zekere Fransen heb aangetroffen.

Het is op zich helemaal niet verkeerd, die uitwisselingen, vertaalprojecten, al die kennismakingen. Zolang we onze eigenaardigheden en onhebbelijkheden maar niet opgeven, onze raarheid, ook waar die zich uit in koppige weigerachtigheid.

_____________________________________

*

Erik Lindner schreef in 2013 voor De Revisor een blog over Berlijn. In 2014 startte hij een nieuwe reeks 'Poëtica' over wat teksten literatuur maakt, als lezer en als schrijver. De eerste aflevering heette Kleine gedachtengang over het gelegenheidsgedicht, de tweede Networking poetry, de derde Polemiek, de vierde Vertalen, de vijfde Vogels in de molen, de zesde Niet en de zevende Legitimaties.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog