Bij dal kantelt de maag

Lammert Voos, Rigor (Stanza, 2015)

Lammert Voos, die eerder bij uitgeverij de Contrabas de bundels Klaai (2008) en Grensman (2010) publiceerde, schrijft zelfbewuste poëzie. Zijn derde bundel Rigor opent met een citaat van Belcampo: ‘Je wordt geboren, je leeft een tijdje, / je begrijpt er geen bliksem van en je gaat dood.’ Erop volgt een gedicht waarin de spreker regisseur is in een theater zonder podium en zonder spotlights en ‘waar de / decors zichzelf schilderden’. Zelfbewust is de indeling van deze bundel in zes reeksen, die verschillende plekken en thema’s belichten. En waarin de spreker zichzelf ziet: ‘Nietig en pover ploeter ik / voor door aangelegde woorden.’

Loom rollen golven rond waar boorden
waren, verslinden dek, omarmen lijken
van kameraden en stervensdrek, fluisteren
een lied van honger, dorst en dood.

Amphitrite uit de titel is een zeegodin, de vrouw van Poseidon. De zon (‘vriend van koulijders’)  schittert in opgehoopte kristallen. Het is altijd windkracht vier voor wie geen zeebenen heeft, zegt een volgende gedicht ‘Odieus’ en wat meer is, ‘bij dal kantelt de maag’. Het is een lyrisch dichter, Lammert Voos, die zich soms echt laat gaan en dan ook sterk.

ik wil niets meer horen, houdt uw loze mond
laat mij schots, kwakkelig en krank, onwel
zijn in mijzelf, wachten op kalme wateren,
de lijte, een haven, desnoods een zandbank’.

‘Ben ik oud voor mijn tijd,’ vraagt Lammert Voos in ‘Nautilus’. Een zeker archaïsch stemgeluid kan deze spreker met zijn zeemanswee niet ontzegd worden. ‘Het is niet al goud dat blinkt in mijn oor.’ Een walvis, getijen, het zijn klassieke onderwerpen, gedichten vol zeemetaforiek gerelativeerd door spreektaal.  Lammert Voos is geen dichter om over het hoofd te zien.

Aardser, landelijker klinkt Lammert Voos in de tweede afdeling ‘Buitendijks’. ‘Als water zakt, stijgen de muggen op,’ weet de dichter. En hij weet ook waar het om gaat, om ‘de gedachte niet meer te denken’. Hij is tegen ‘nodeloze schmink’. Een gans die ‘rust op basaltblokken’ plaatst hij tegenover hem en zo verruimt hij het perspectief. ‘Water krimpt, kraakt en knalt’ en bevroren gras knerpt net zo als gebroken glas. Het gaat er ijler aan toe als we de zee verlaten. ‘De wieken van de molen knarsen in / de hete wind’.

Ook in de derde reeks, ‘Cluster’, klinkt Voos archaïsch: ‘In trilhitte lucht van glas aan / den einder’. De gedichten hebben een terugkerende vorm, losse regels tussen de strofen staan cursief en het is niet altijd meteen even duidelijk of die doorgelezen moeten worden of apart staan. Als je doorleest in Rigor blijkt deze opzet de bundel een overwogen vorm te geven, het is een terugkerend procedé. strakker dan de relatie tot de tekeningen in de bundel. ‘De onderwereld ligt hoog op een terp naast een kerk,’ staat er in ‘Voos inferno’.  En de doelbewuste zelfovertuiging blijft onverminderd: ‘In de hel is geen vuur en ik kan dat weten’.

Als Lammert Voos balkt gaat het doorgaans goed. Maar er klinkt ook iets anders door de gedichten, een voorzichtige schetser die zuurstof nodig heeft. ‘Ik luister naar het ontwaken van het dorp, / een passerend schip op de rivier, een auto die / start met een gierende V-snaar.’ Het is mooi als hij was zo laag in de winterzon ziet hangen dat ‘de mouwen / van een frisgewassen wit overhemd / door de modder sleepten op het ritme / van een schrale oostenwind’. We zijn inmiddels in de reeks ‘Ondergrond’.  Dans, Cleopatra, dans klinkt door in de wending 'ween, / dikke man, / ween’. Gedichten die hij met opdracht aan bevriende schrijvers schreef, zijn vaak wat particulier. In het gedicht ‘Cirkelgang’, zwemt de spreker in een bad stroop zwemt als de telefoon overgaat. ‘De eeuwige / storm in mijn hoofd, de scherpe zeis van / bittere woorden, ik blijf zo lang ik leef / een man van het noordelijkste noorden.’
Met de inkt die nog rest schrijft de spreker ‘armetierig bewijs van importantie’. De rigor mortis is evenveel als de lijkstijfheid. Tweemaal in de bundel zijn er ‘naalden van licht’, prikkelende vlekjes, punten rondom een gloed waarin je de zon kan herkennen of de gloeilamp waar je tegenaan loopt.  In het gedicht ‘Doorkijk’ spreekt hij van de holle ogen van ‘vleselijke schande’ die staren, iets wat misschien alleen maar zo kan lijken. Heeft schande wel ogen, keert die zich niet juist van ons af?  We zijn koning en schlemiel tegelijk: ‘... de klant / is het armoedige gezicht van iedereen / zijn of haar gebrek aan integriteit.’

Tot slot zijn we in de reeks ‘Echo’ in Deventer, de stad van Etty Hillesum. Stadsdichter was Lammert Voos daar en schreef er voor het dagblad De Stentor. Ganzen zijn dwangarbeiders, staat er in die laatste reeks, ze strijken neer ‘waar de regelzucht / ze alsnog bejaagt’. Het water zal dalen, schrijft Lammert Voos, het zal indikken tot ‘voorouderlijke klei’.

*

Deze recensie maakt onderdeel uit van een nieuw initiatief van de Revisor, om elke week poëzie te bespreken. Alle bijdragen zullen in de rubriek poëziekritiek terug te vinden zijn. Een kwantitatieve inventarisatie van de kwaliteitsbladen in de Lage Landen ging eraan vooraf. 

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog