02 September 2017

Christoffel in Bodrum

Twee jaar geleden spoelde Alan Kurdi aan. Hij was zo oud als mijn zoon nu is, een onbekende, wiens foto’s plots de voorpagina’s van kranten, de openingen van journaals bepaalden. Het leverde publieke protesten op en politiek medeleven en een belangrijke discussie over of journalisten kinderlijkjes moesten tonen – ook al was Alan maar een van de vele, een intiem beeld dat voor een grotere werkelijkheid stond. Maar zijn lot raakte me, en mensen over heel de wereld. En nu weer. Waardoor? En kan literatuur me helpen het antwoord op die vraag te vinden? Of zelfs: kan literatuur helpen bij zulke drama’s?

‘Sinds gisteren is er een verschrikkelijke foto van een driejarig jongetje opgedoken op alle sociale media wereldwijd. Het jongetje is eergisteren op een Turks strand in de buurt van Bodrum aangespoeld, terwijl zijn broer en zijn moeder ergens anders dood gevonden werden. Het jongetje had een donkerrood bloesje en een donkerblauw broekje aan en kleine zwarte leren schoenen. […] Door die gebeurtenissen was ik gisteren niet in staat om mijn aandacht bij mijn werk te houden. Wat kan een universitair docent nu helemaal doen voor mensen die, zich bewust van de dodelijke gevaren, de Middellandse Zee wilden oversteken? Ik kon niets bedenken.’

Zo kan een roman de tijd vangen, door simpelweg een beeld en de vertwijfeling te beschrijven. Maar Kader Abdolah, want zijn verteller in Salam Europa is aan het woord, voegt daaraan pijnlijk weinig toe. Hij duidt niet. Hij analyseert niet, hij verdicht niet. Het is een passief toeschouwerschap vertaald in schrijverschap. Niets komt tot leven of tot inzicht. Er is geen context. Al was die context maar het noodlot.

‘Het toeval wil (maar voor lezers is er geen toeval),’ schrijft Cees Nooteboom meermalen in zijn nieuwste boek 533, de haakjes incluus, en dat is goed opgemerkt. Althans, zulk toeval is het resultaat van veel lezen, veel meemaken. Verbanden leggen doe je door ervaring, en dat kan Nooteboom goed – ook al wil hij liever niet: ‘Probeer uit de wereld weg te blijven, en de wereld haalt je in. Op een dag zie je tweemaal een man met een kind.’ Nooteboom probeert zich in 533 tot zijn tuin te beperken, tot zijn eiland, en slaagt erin pagina’s lang uiterst gedetailleerd over de cactussen en diertjes van Menorca te schrijven, maar de zee is groter.

‘De ene, licht voorovergebogen, in de buurt van veel water. Hij heeft een uniform aan en van die grote soldatenschoenen die wij vroeger kistjes noemden, en draagt een kind in zijn armen. Van het kind zie je alleen de beentjes en de voetjes. Het is nog zo klein dat iemand anders die veters gestrikt moet hebben. Je weet meteen dat het dood is, dat zie je aan het gezicht van de man.’

Alan Kurdi verdronk 2 september 2015, hij was twee of drie, toen onze zoon nog anderhalf was maar met zijn donkere huidstint al voor een Syrisch jongetje door kon gaan. De gebeurtenis zette aan tot wereldwijde woede. Wereldwijd, maar ook vruchteloos, want zoals Herman Brusselmans over de foto schrijft: ‘Over een jaar zal dit alles een jaar geleden zijn.’ Niets veranderde. Niemand kon iets bedenken. Maar in Nootebooms woorden maken de details de literatuur. De schoenen, in dit geval. Door de context zijn die kleine dingen veel geladener dan Nootebooms cactussen, ze onderstrepen de menselijke maat in een onmenselijke wereld. Wat die lading is, dat ziet Nooteboom ook: ‘De man heeft verdriet, maar het is geen verdriet om hemzelf, het is een verdriet om het kind, om het failliet van de wereld.’ Grote woorden ondermijnen de literatuur, pathos vervlakt al het tastbare. Verdriet moge dan een van de onschuldiger abstracta zijn, maar in deze drievoudige herhaling, met het rijm van failliet erbovenop, overheerst het effectbejag. Passender toongezet dan Brusselmans’ grap, maar niettemin retoriek.

Toch blijf je Nooteboom lezen om die verbanden, om dat toeval. Ik lees bij Oek de Jong over Christoffel, en ook de veel jongere Maarten van Riel noemt in Op reis met mijn vader (die dood is) ‘Christoffel de Christusdrager’, de patroonheilige van de reizigers. Ook een reis, nu met een zoon die achterblijft, en meer toeval: mijn vader heet Stoffel. Hij leeft. Terug naar Nooteboom, die andere reiziger:

‘De dag daarvoor schreef ik over Jeroen Bosch, het boek lag nog open op tafel, bij het beeld van een beroemd schilderij van hem dat in Rotterdam hangt. De heilige Christoforus. Het verhaal is bekend. Een heidense reus, Reprobus, vindt een kind aan de oever van een rivier en begrijpt dat het naar de overkant wil. Hij tilt het op zijn schouders en waadt naar de andere oever. Onderweg wordt het kind steeds zwaarder, zo zwaar dat hij het bijna niet meer kan tillen. Het is Christus als kind. Sinds die tijd heet die man de Christusdrager. Hij is de beschermer van alle reizigers.’

Christoffel is, zo lees ik in een bespreking van Nico ter Lindens Christophorus uit 1993, in 1969 van de heiligenkalender gehaald, maar het verhaal van Reprobus is heel rijk. Hij zou een hondenkoppige menseneter zijn geweest, een verwant van Anubis, of verbasterd tot Kaäniet. Hij was een veerman (over veren en veermannen is een boek te schrijven) en werd patroonheilige. Reprobus betekent ‘afgekeurd, slecht’, en zo past zijn verhaal in de evangelische traditie van verheffing de verworpenen. Maar Nooteboom beperkt zich tot de beelden:

‘Op het schilderij heeft Christoffel dezelfde houding als de politieman aan het Turkse strand, licht naar voren gebogen, uiterst behoedzaam brengt hij het kind naar de oever, waar het veilig is. Hij kijkt rechts uit het schilderij, zoals de man in de krant zijn gezicht naar rechts gericht heeft, waar wij zijn, maar het is alsof ook dat kind te zwaar is, en dat klopt, want de dood weegt mee. Het kind was te zwaar voor Europa, want Europa bestaat niet, het kon dat kind niet tillen.’

Dat raakt me. De stap van Bosch, schilder van helse scènes, naar de Turkse agent, naar het falende Europa, het is een tournure die werkt. Maar kort. Een moment later zie ik dat Nooteboom hier voor de vierde keer ‘zwaar’ schrijft, dit is geen toeval meer en hoewel Nooteboom daar niet die andere mythische gewichtheffers — witte stieren, Atlas, Sisyfos — of de verkrachtig van de Fenicische prinses bij betrekt, hoewel hij dát goddank niet doet, eindigt hij toch in retoriek. Hij roept een beeld op naast de iconische Alan en de heilige Christoffel ook de mythische Europa, nee het institutionele Europa, in een stropopconstructie: opvoeren, aanvallen, afvoeren. Veel is beter dan het toeschouwerschap van Abdolah en menig ander wat-erg-zegger – maar dit is ook niet juist. Want ja, het is vreselijk, en ja, de politiek had het moeten voorkomen, maar nee, zo schrijf je geen literatuur. Engagement verdient oog voor het menselijke, het concrete, voor beelden waarin een wereld oprijst, niet een wereldbeeld. Literatuur evenzeer.

Dat is allemaal waar, ik neem niets terug. 
Maar het brengt Alan niet terug. Het helpt niet, je boos te maken over de formuleringen van een schrijver. Mijn excuses. Elke discussie over leven en dood beweegt zich van de kern naar de details in de marge. Concreet, maar minder essentieel. Toch is dat de marge waar ik me thuisvoel, ver van geweld en dreiging. Daar liggen de fotoboeken. Er is geen Christoffel-foto van Stoffel. Er zijn zwart-witfoto’s van een jonge man, voluit lachend, frontaal genomen, met mij. En een met mijn zoon als zuigeling, ietwat gebogen, inmiddels een oude man. Het zijn beelden van een onbezorgde wereld. Misschien is dat het wat me raakt: een andere achtergrond, een lichter lot, en dat dat voor Alan en de zijnen niet is weggelegd.

Meer Syrië? Lees Stoffelsens blogpost ‘Bootje’.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog