03 Juli 2011

Hoe staat het met de liefde: de scènes

Daan Stoffelsen had Bert Natters tweede roman gelezen, waarin een dertigjarige vrouw worstelt met rouw en schuldgevoel over haar zusje dat lang geleden verongelukte, met de band met haar ouders en haar geslaagde vriendinnen, en met de liefde. Waarin hoge cultuur en chicklitclichés naast elkaar bestaan, uitgesponnen seksscènes, thrillerelementen, scherpe humor, spitsvondigheid, literair vakmanschap en Joost van den Vondel op allerlei niveaus spanning oproepen. Hij had Hoe staat het met de liefde? gelezen, en hij moest er iets mee. Het werd een essay in De Revisor (2012-1) dat een uitgebreid commentaar op twee scènes, een wandelend interview met de schrijver en een paar plukjes metakritiek combineert.

Dat commentaar is niet integraal in het tijdschrift opgenomen, maar wel hier, op Revisor.nl, en op deze pagina de tekst van de betreffende scènes en een link naar een kaart in Google Maps van het Baarn van Maria en Wiggel. Zie ook de website van Uitgeverij Thomas Rap, waar het boek te bestellen is en waar leesclubvragen te vinden zijn.

Vanzelfsprekend zijn aanvullingen van harte welkom via het reactieformulier, ook op de Google Maps-kaart, waarop bijvoorbeeld de Baarnse makelaardij ontbreekt, en de locaties elders in Nederland bij mogen.

Pagina 22 (zie het commentaar)

  1. Hij laat de koek in zijn zak zakken en legt uit dat hij echt alleen
  2. een biertje met me wil drinken, want hij heeft nog wat te doen
  3. vanavond en morgen moet hij het land uit.
  4. ‘Verblijfsvergunning verlopen?’ vraag ik.
  5. Hij neemt lachend mijn fiets over. ‘Gaan wij kroegwaarts, Fräu-
  6. lein Hinckelbein,’ zegt hij, zijn been over het zadel zwaaiend.
  7. ‘Goeie naam, wel. Waar komt die vandaan?’
  8. ‘Mijn vader heet zo,’ zeg ik.
  9. ‘Vandaar. Mijn vader is mijn naam vergeten.’
  10. ‘Ja ja, en mijn moeder was een porgel.’
  11. Ik spring achterop en sla mijn arm rond zijn middel.
  12. ‘Je hebt vast nog nooit bij een beroemde schrijver achterop gezeten.’
  13. ‘Nee. Wel bij een echte P.C. Hooft-prijslaureaat op de stang.’
  14. ‘Bij wie dan?’
  15. ‘A.M. Frauenfelder.’
  16. ‘Bij Appie Frauenfelder?’
  17. ‘Ja. Op de stang.’
  18. ‘Dat lieg je.’
  19. ‘Het is waar, geloof me maar.’
  20. Zo fietsen we weg – het lijkt of we veel verder gaan dan naar
  21. een bruin café aan het eind van een lommerrijke Baarnse laan.
  22.  
  23. Als hij bier heeft gehaald, vraag ik hem waar hij mee bezig is.
  24. ‘Met bier drinken in het café.’
  25. ‘O, wat snoezig, we hebben hetzelfde gevoel voor humor.’
  26. ‘Jij?’
  27. ‘Ik ook.’
  28. Hij houdt zijn glas in de lucht en tikt het tegen dat van mij.
  29. ‘Ik hou van vrouwen die bier drinken. Ik had je ingeschat op
  30. chablis.’
  31. ‘Dat ga ik pas drinken als het gezellig wordt.’
  32. Hij kijkt op zijn horloge en vraagt gemaakt nonchalant of er

Pagina 23 (zie het commentaar)

  1. naast die diepvriespizza nog iemand anders in mijn leven is. Ik
  2. som het op: collega’s, ouders, jaarclubvriendinnen, met name
  3. Welmoed. Op de een of andere manier hoor ik mezelf veel duidelijker
  4. spreken dan normaal, alsof ik naar een ander luister, of
  5. naar een film kijk. Het is zo doorzichtig als wat: ik zie mezelf als
  6. een personage in een van Wiggels boeken – wat? Ik zie mijn foto
  7. op de cover van zijn Boekenweekgeschenk prijken.
  8. Kortom, hij wil weten of er liefde is in mijn leven.
  9. Ik lach, ik hoop een beetje geheimzinnig. Zo’n lachje dat alles
  10. kan betekenen: ja, nee, try me.
  11. ‘Offe,’ begint hij aarzelend, ‘is die Welmoed...’
  12. ‘Ja wat? Mijn partner soms? Nee, is ze niet. Een vriendin, mijn
  13. beste vriendin, mijn hartsvriendin. Hoe zeg je dat?’
  14. ‘Boezemvriendin.’
  15. ‘Jij kent het synoniemenwoordenboek natuurlijk uit je hoofd.’
  16. ‘Ik heb zo mijn preoccupaties, klopt, zeker, zonder meer, absoluut,
  17. nou en of, beslist, als een paal boven water, buiten kijf, ik
  18. mag hangen als het niet waar is.’
  19. Ik vertel over Welmoed, dat hij haar misschien kent, want ze is
  20. actrice, een hele goeie zelfs. Ik maak haar beter en beroemder dan
  21. ze in werkelijkheid is.
  22. Ja hoor, daar gaat hij. Hij zet zijn glas neer en een biergekoelde
  23. hand landt op mijn hand en knijpt erin. Voelen of het water
  24. warm genoeg is, zullen we maar zeggen. Uit de speakers klinken
  25. hits van voor mijn tijd.
  26. ‘Vroeger...’ begint hij.
  27. ‘Wat is er met vroeger dat we het er heden over moeten hebben?’
  28. zeg ik en ik meen het.
  29. Hij trekt zich terug, staart mistroostig naar de glazen voor ons
  30. op tafel, meteen haal ik mijn hand weg en leg hem in mijn schoot.
  31. Een luguber gefluit weerklinkt. Wiggel verontschuldigt zich
  32. en trekt zijn telefoon uit de binnenzak van zijn jasje. Snel loopt
  33. hij naar buiten.

Pagina 24 (zie het commentaar)

  1. Tegen de tijd dat hij is uitgebeld en terugkeert, is mijn bier op
  2. en zijn bier dood. Hij lacht en zegt met schorre stem: ‘Mij dorst!’
  3. en neemt een slok.
  4. Zijn vader verdween dit weekend van de radar, maar gelukkig
  5. is hij terecht. Hij belde net. Wiggel zegt speciaal uit Rusland te
  6. zijn gekomen om te controleren of zijn vader niet dood in de
  7. gang ligt. ‘Het valt toch een beetje tegen dat hij nog leeft.’
  8. Zijn woorden doen me huiveren.
  9. ‘Blijkt hij in Spanje te zitten. Raar verhaal. Hij vroeg of ik
  10. even wilde kijken of hij de deur wel op slot heeft gedaan, want
  11. hij is nogal halsoverkop vertrokken.’
  12. Opnieuw zet Wiggel het glas aan zijn mond, laat het leeglopen
  13. en roept uit: ‘Dit is crimineel.’
  14. Hij loopt naar de bar en komt met vers bier terug. Voor ons allebei.
  15. Tenminste, dat denk ik, want ik zit op de plee te janken. Ik
  16. heb genoeg. Genoeg van het bier, van Wiggel, van zijn vader, van
  17. de kroeg en van de muziek. Straks gaan ze nog Bob Marley draaien.
  18. Als ik terugkom, lacht Wiggel verontschuldigend. Hij vertelt,
  19. als een soort verlaat antwoord op mijn vraag, dat hij bezig is aan
  20. een novelle over zijn jeugd in Baarn, terwijl hij tijdelijk in Sint-
  21. Petersburg woont. Of tijdelijk, al bijna een jaar. Zijn huis in
  22. Utrecht heeft hij onderverhuurd.
  23. Ik vraag of hij die novelle niet beter hier zou kunnen schrijven.
  24. Met de moed der wanhoop neem ik weer deel aan het gesprek,
  25. bang dat ik te veel moet uitleggen als ik zeg dat ik nu plotseling
  26. naar mijn pizza wil.
  27. Het gaat Wiggel om zijn herinneringen, niet om de werkelijkheid,
  28. dan kun je beter ver weg zijn, anders loopt de tegenwoordige
  29. tijd in de weg. Hij probeert het dorp van zijn jeugd met woorden
  30. te reconstrueren, in een tot mislukken gedoemde poging er
  31. zelf doorheen te kunnen lopen. En dan beter opletten dan vroe-

Pagina 25 (zie het commentaar)

  1. ger. Het lijkt soms of alles is blijven bestaan, maar dat hij er niet
  2. meer bij kan komen. Ken ik dat gevoel?
  3. Natuurlijk ken ik dat, of althans weet ik dat. Er schijnen zelfs
  4. mensen te bestaan wier zintuigen de bestaande wereld waarnemen,
  5. maar wier hersenen het verleden denken te zien.
  6. Daar heeft Wiggel geen idee van. Hij wil weten of dat echt zo
  7. is en hoe ik dat weet.
  8. ‘Ik ben een gesjeesde student neuropsychologie,’ zeg ik.
  9. Hij neemt een slok en steekt zijn glas in mijn richting. ‘Dat
  10. zijn de besten.’ Hij lacht, en vraagt waarom ik het niet heb afgemaakt,
  11. maar voor ik antwoord kan geven, zegt hij dat hij nog
  12. naar zijn vaders huis moet, vanavond.
  13. ‘Vannacht zul je bedoelen.’ Dat zeg ik. En: ‘Zal ik meegaan?’
  14. Hij pakt een viltje van tafel en begint het kapot te scheuren, in
  15. steeds kleinere stukjes, tot hij een stapeltje overhoudt dat hij als
  16. een legpuzzel op een intact viltje past.
  17. In plaats van antwoord te geven, loert hij een beetje verlegen
  18. naar mijn handen die over mijn glas glijden en begint weer met
  19. praten.
  20.  
  21. Even na middernacht worden we beschenen door de rode ster en
  22. de volle groen-witte Heinekenmaan die aan de gevel van het café
  23. branden. De kroegbaas doet de deur op slot en trekt de dikke
  24. gordijnen voor de ramen. Wiggel staart naar de dichte deur en
  25. stelt vast: ‘Shit, hij heeft ons opgesloten in de nacht.’
  26. Redelijk vastbesloten niet met hem naar bed te gaan, laat ik
  27. me na een broodje shoarma bij de verder verlaten Egyptische
  28. snackbar in de enige vreetsteeg van dit dorp gedwee meetronen
  29. naar het huis van zijn vader. Het is vlakbij, volgens hem kunnen
  30. we lopen.
  31. We zwalken door straten die ik niet ken en het is bewolkt,
  32. geen ster en geen maan meer aan de hemel.
  33. ‘Hoe ver ben je met die novelle?’

Pagina 26 (zie het commentaar)

  1. ‘De meest gestelde vraag aan een schrijver. Het gaat nooit over
  2. wat je hebt gemaakt, maar alleen over wat je nog moet doen.
  3. Mijn boek Apenverdriet ligt nog in de winkels, de film komt binnenkort
  4. uit. Als je wilt, mag je mee naar de première. En iedereen
  5. maar vragen of er iets nieuws in aantocht is: critici, collega’s,
  6. boekverkopers, lezers, niet-lezers. Je vraagt als je op kraambezoek
  7. bent toch ook niet aan de kersverse moeder: en wanneer komt de
  8. volgende eruit? En aan de vader: zeg, zijn jullie alweer bezig?
  9. Kortom: ik schrijf af en toe wat. Onder ons gezegd ligt er wel wat
  10. druk op dat nieuwe boekje. Daar zijn we.’
  11. We lopen over een slecht onderhouden tegelpad door een slordige
  12. tuin naar het huisje, dat een beetje lijkt op dat van mijn ouders
  13. op Texel.
  14. Het is koud en bij de deur doe ik een stap naar voren, op zoek
  15. naar de warmte van zijn wollen jas. Ik denk aan een knusse huiskamer,
  16. een wollen kleed voor de haard, vrijen bij het vuur, buiten
  17. is het winter, fatsoenlijke mensen zijn diep in slaap, morgen weer
  18. vroeg dag.
  19. We staan naar elkaar te kijken tot hij zegt: ‘Ik lul te veel, hè? Ik
  20. zit weken in Sint-Petersburg en daar verstaat niemand me. Ik ben
  21. zo blij af en toe iemand te treffen die mijn landstaal machtig is,
  22. dat ik leegloop als een lekke giertank. Sorry. Mijn vader wordt
  23. gek van me. Vraagt ie net als ik uitleg dat ik blij ben zijn stem te
  24. horen: Zit er geen slot op die bek van jou?’
  25. Ik wil iets zeggen, maar ik bedenk me, doe nog een stap naar
  26. voren en zoen hem recht op die bek van hem die niet op slot wil.
  27. Ik wil wel. Ik wil het doen in het ouderlijk huis van de gedoodverfde
  28. P.C. Hooft-prijswinnaar. Zijn pa is ver weg in Spanje. Of
  29. heeft hij soms een moeder die ingedut bij de gedoofde kachel op
  30. de verloren zoon zit te wachten? Ach schattebout, heb je een vriendinnetje
  31. meegenomen, wat enig! Dag meisje, lust jij een kopje thee?
  32. Allie, lieverd, kijk even of er nog wat lekkers voor haar in de koektrommel
  33. zit.

Pagina 27 (zie het commentaar)

  1. Dondert niet, kom op met die sleutel. Voort, het is lang geleden,
  2. voor mij tenminste. Laten we naar binnen gaan en elkaar de
  3. kleren van het lijf rukken.
  4. We hoeven niets met elkaar, alleen vannacht. Je ontmoet elkaar,
  5. je bekijkt elkaar, je vindt elkaar leuk, je praat wat, je luistert
  6. wat, je drinkt wat, je voelt wat, je zoent wat, je neukt wat, je
  7. slaapt wat, je vergeet wat je hebt gedaan.
  8. Haastig steekt hij de sleutel in het slot, met zijn vrije hand
  9. over mijn winterjas wrijvend – dat voelt alsof ik geen panty aan
  10. heb, geen slipje draag, alsof hij over mijn huid wrijft, over mijn
  11. naakte huid met de vingers waaruit al die mooie zinnen zijn gekomen.
  12. Zwoele nachtscènes waarbij zijn boek regelmatig uit
  13. mijn hand gleed.
  14. Ik draai zijn gezicht in mijn richting en kijk hem aan.
  15. ‘Volgens de kritiek gaan mijn boeken over schaamteloosheid,’
  16. stelt hij, wegkijkend.
  17. Ik zoek mijn weg tussen de panden van zijn jas en leg mijn
  18. hand op zijn onderbuik.
  19. Hij kreunt en zegt zwakjes: ‘Poten thuis.’
  20. ‘Ik wil je.’
  21. ‘Idem hetzelfde.’
  22. Hij zoent goed en ik kan er zelf ook wat van. Hij legt zijn
  23. hand op mijn hand en hij begint die langzaam naar beneden te
  24. duwen.
  25. Opeens is het over, doordat hij de sleutel laat vallen.
  26. ‘Jesis, me kop. Ben ik dronken,’ zegt hij, zich bukkend. Ik bedoel,
  27. hij laat nog net geen scheet.
  28. Dat mag de pret niet drukken, zou je zeggen, niet klagen,
  29. maar dragen. Toch is het voorbij. Ons momentum, das war einmal.
  30. Ik moet plassen. ‘Schiet eens op met die sleutel.’
  31. ‘Goed opletten,’ zegt hij. ‘Maria Hinckelbein, dit wordt een
  32. historische avond. Wat doe je eigenlijk?’

Pagina 28 (zie het commentaar)

  1. ‘Een poging niet in mijn broek te piesen. Daarnaast ben ik
  2. boekhandelaar.’
  3. ‘Zo.’
  4. ‘Dat had ik toch al gezegd?’
  5. ‘Niet van dat in je broek piesen.’
  6. Ik kijk de andere kant op om het gehannes met de sleutel niet
  7. te hoeven aanschouwen en sta te stampen om warm te blijven en
  8. de aandrang te vergeten en dan zeg ik: ‘Anders klim ik door dat
  9. kapotte raampje daar.’
  10. ‘Raampje?’
  11. ‘Raampje, daar,’ zeg ik en ik wijs op het gat in het bovenlicht
  12. boven de volgende deur.
  13. Hij draait zijn hoofd naar die kant, en snel weer terug en zegt:
  14. ‘Hè? Wat...’ De ‘virtuoos voor wie taal is wat klei is voor een
  15. beeldhouwer’ komt niet uit zijn woorden. Hij staakt de zojuist
  16. hervatte massage van mijn winterjas, waaronder het ondanks zijn
  17. geklets opnieuw behoorlijk begint te broeien.
  18. Ik zeg: ‘Had ik al verteld hoe nodig of dat ik wel niet moet
  19. piesen?’
  20. Hij laat een krachteloze boer en zegt: ‘Pardon. Kom, we gaan.’
  21. Daarna haalt hij de sleutel uit het slot en begint hij achteruit
  22. terug naar de straat te lopen.
  23. Ik sta hier. Hij wilde. Ik wil nog steeds, nog immer, nog heviger,
  24. nog erger, nog nodiger. In ieder geval naar binnen om te piesen.
  25. Daarom zeg ik: ‘Dan moet je wel de deur openmaken, pitloze
  26. druif. Voor we naar binnen kunnen gaan.’
  27. Hij bedoelt niet naar binnen, maar weg. Hij wil dat we vertrekken.
  28. Dat begrijp ik niet. Ik zeg: ‘Hoezo, weg?’ Klinkt dat of
  29. ik niet kan wachten tot hij me uitkleedt met die schrijvershanden
  30. van hem? Of zou hij er alleen maar goed over kunnen schrijven?
  31. Daar heb ik nooit bij stilgestaan.
  32. ‘Ik denk dat het beter is om niet naar binnen te gaan. Mijn va-

Pagina 29(zie het commentaar)

  1. der wilde alleen weten of hij de deur op slot had gedaan. Dat is
  2. het geval.’
  3. ‘Wat kan er nou zijn gebeurd? Boobytraps, een valstrik van de
  4. Gestapo? Doe niet zo schijterig. Van jou had ik echt wat meer lef
  5. verwacht.’ Ik sta inmiddels een beetje vreemd te dansen. ‘En
  6. trouwens, ik moet echt heel nodig.’
  7. ‘Je snapt het niet,’ zegt hij afgemeten, maar ik voel zijn angst.
  8. ‘Goed, we gaan naar binnen, maar wat we aantreffen blijft onder
  9. ons. Afgesproken?’
  10. Ik knik. ‘Waarom? Zeker om het in een boek te gebruiken?’
  11. Hij schudt zijn hoofd. ‘Wat verbeeld jij je wel niet?’ Hij kijkt
  12. van het kapotte raampje naar mij en herhaalt op dwingende
  13. toon: ‘Afgesproken?’
  14. Net was ik nog een halve godin, nu ben ik een ongehoorzaam
  15. kind.
  16. Ik zeg: ‘Afgesproken.’
  17. Ik zou mijn ziel verkopen om op een wc te mogen zitten, mijn
  18. koninkrijk, mijn troon zou ik geven voor een plee. Zonder hem
  19. zat ik allang op mijn hurken in de tuin.
  20. Als ik naar een detective op de tv kijk, roep ik altijd hard: doe
  21. niet zo dom, labium minus, je gaat daar toch niet naar binnen,
  22. wegwezen of de politie bellen, maar nu vind ik het helemaal niet
  23. eng, omdat het gebeurt buiten de context van een spannende
  24. film. Als Wiggel een mondharmonica uit zijn zak had gepakt om
  25. een onheilspellende blueslick te spelen, had ik het misschien in
  26. mijn broek gedaan.
  27. Schiet nou eens op, man.
  28. Hij draait de sleutel in het slot en opent de deur. Ik hoor post
  29. over de mat schuiven. Meteen doet hij het licht in de gang aan.
  30. Wat een puinhoop! Jassen op de grond, sjaals, handschoenen,
  31. een kastje op zijn kant, kapstok in twee stukken.
  32. ‘Lieve help, Allard. Wie is je vader? De Hulk?’ roep ik uit.
  33. Wiggel zwijgt en duwt met zijn schouder de deur helemaal
  34. open.

Pagina 30 (zie het commentaar)

  1. In de binnenstebuiten gekeerde huiskamer zie ik dat zelfs de
  2. bekleding van het lelijke leren bankstel is opengereten. Geen
  3. boek te zien, in die kamer trouwens, wel een enorm tv-scherm en
  4. een heleboel dvd’s. Nou ja, in deze teringzooi had ik het nooit
  5. van mijn levensdagen kunnen doen. Het lijkt wel de set van een
  6. Nederlandse politieserie waarin ik ben beland.
  7. ‘Er is ingebroken,’ zegt hij zacht.
  8. ‘Scherp denkwerk, partner.’
  9. ‘Geen grappen. We kunnen beter vertrekken, Maria.’
  10. ‘Tja, maarre, waar kan ik verdwijnen?’ Hij is duidelijk even
  11. vergeten hoe nodig ik moest.
  12. ‘Huh?’ Hij kijkt me aan alsof ik elk moment in rook kan opgaan.
  13. ‘De wc, weet je nog?’
  14. Hij knikt naar de keuken. Daar is een schuifdeur naar de wc.
  15. De tegelvloer ligt bezaaid met vlekkerige tijdschriften vol voetbal,
  16. moord en dikke tieten. De schuifdeur gaat niet helemaal
  17. goed dicht, dus hij moet me horen klateren en als hij wil, kan
  18. hij me zien zitten en dat kan hij allemaal lekker op gaan schrijven
  19. en dan zal ik tegen de Venusjancksters zeggen: die schoonheid
  20. die daar op bladzijde 30 in dat boek van Wiggel zit te piesen,
  21. dat ben ik. Jaloers? Ik wilde met hem naar bed, maar het
  22. werd de wc en een alinea in zijn meesterwerk. Al vraag ik me af
  23. of mijn jaarclubgenootjes daar erg van onder de indruk zullen
  24. zijn, die krijg ik eerder stil als ik ze eindelijk een geslaagde risotto
  25. voorschotel.
  26. Ik zeg: ‘Mijn vader mag graag gedichten lezen onder het poepen.
  27. Of essays, daar wil ik af wezen.’
  28. Als ik klaar ben kijk ik door het raam in de keukendeur naar
  29. buiten. In de tuin staat een grote schuur, de deur klappert in de
  30. wind. Je zou er maar naast wonen. Het tocht door het kapotgeslagen
  31. ruitje. Volgens mij is Wiggel de trap op gegaan. Ik hoor
  32. tenminste voetstappen boven me.

Pagina 31 (zie het commentaar)

  1. Het gekke is dat ik helemaal niet bang ben. Komt door de
  2. drank, door al dat bier.
  3. De keukenvloer ligt vol bestek en serviesgoed in scherven,
  4. boerenbont. Flessen frisdrank, een kratje pils op zijn kant. De
  5. keukenkastjes zijn leeggetrokken. Laden liggen omgekeerd op
  6. het aanrecht. De deur van de koelkast staat op een kier. Als ik
  7. hem verder opentrek om er een pakje zachte boter in terug te leggen,
  8. gaat het lampje aan. Zelfs in de koelkast is het een puinhoop.
  9. Wat hebben ze hier gezocht?
  10. Boven op de koelkast staat een magnetron. Ik open het deurtje.
  11. Het licht gaat branden en beschijnt iets donkers, dat dof
  12. blinkt. Ik ga op mijn tenen staan, doe mijn hand erin, pak het
  13. koude voorwerp en zie dat ik een pistool vasthoud.
  14. Geschrokken leg ik het wapen terug. Ik sla het deurtje zo hard
  15. dicht dat het belletje tring zegt.
  16. Ik hoor Wiggel de trap af komen. Hij zegt dat we moeten
  17. gaan. Ik weet niet waarom ik hem niet vertel wat ik in de magnetron
  18. zag. Ik geloof dat ik bang ben dat hij me zal afwijzen, terwijl
  19. ik hem al niet meer moet.
  20. Bij de buitendeur krijg ik spijt van mijn zwijgen en stel ik voor
  21. de politie te bellen, maar hij schudt zijn hoofd.
  22. ‘Bel je vader dan, hij zal me gelijk geven.’
  23. Daar moet hij erg om lachen.
  24. Ik pak mijn telefoon uit mijn zak en zeg: ‘Goed, dan doe ik...’
  25. Verder kom ik niet, want Wiggel slaat met een felle klap het toestel
  26. uit mijn handen.
  27. ‘Wat doe je, man?’ Ik buk me om mijn telefoon te pakken die
  28. in drie delen tussen de post op de mat ligt: batterij, klepje, body.
  29. Als ik weer rechtop sta, pakt Wiggel me bij mijn pols en zegt
  30. hij dat het hem zeer spijt, maar dat wij een afspraak hebben. Dat
  31. ik geen woord zou zeggen. Tegen niemand, zeker niet tegen de
  32. politie. Ik moet hem vertrouwen, dat is beter. Voor hem, voor
  33. mij, voor zijn vader, voor iedereen. Hij heeft niets met deze in-

Pagina 32 (zie het commentaar)

  1. braak te maken, en hij weet dat hij er zich verre van moet houden.
  2. En ik nog verder. Dat zegt hij. Zijn greep verslapt. Dan
  3. biedt hij nogmaals zijn excuses aan en zegt hij dat hij me niet had
  4. moeten meenemen.
  5. Ik laat dat pistool maar zitten.
  6. Hij dooft het licht, draait de deur op slot en we lopen terug
  7. naar het centrum, kauwend op de gevulde koek die hij uit zijn
  8. jaszak heeft opgediept en doormidden heeft gebroken. Het droge
  9. nepspijs verbrokkelt in mijn mond en een kruimel schiet in mijn
  10. luchtpijp, waardoor ik me verslik, voorover moet gaan staan om
  11. hartgrondig te hoesten. Mijn gebulder weerkaatst tegen de gevels
  12. van de huizen, een hond begint met me mee te blaffen, de natuur
  13. ontwaakt van mijn ellende en als ik overeind kom, is Wiggel aan
  14. het eind van de straat.
  15. Het is dat ik dezelfde kant op moet als hij om mijn fiets te halen,
  16. anders was ik echt niet achter die vuile schrijver aan gelopen.
  17. Bij het café staat hij te wachten, met zijn telefoon in de hand.
  18. We nemen houterig afscheid met drie zoenen.
  19. ‘Jouw werk gaat niet over schaamteloosheid,’ zeg ik. ‘Laat die
  20. loosheid maar achterwege.’
  21. Hij reageert niet. Ik fiets weg. Hij roept me na dat hij me zal
  22. bellen als hij terug is uit Sint-Petersburg.
  23. ‘Sint-Juttemis, bedoel je,’ roep ik terug. Hij heeft mijn nummer
  24. niet eens.
  25. ‘De groeten aan je pizza, hè!’
  26. Hoe hij in de nacht verdwijnt, met een telefoon aan zijn oor.
  27. Versta ik het goed, zegt hij: ‘Ha Droppie, met mij, zeg ik ben...’?
  28. Of zegt hij Pappie?
  29. Dan zie ik dat hij tussen mijn fietsbel en mijn stuur drie briefjes
  30. van vijftig euro heeft geklemd. Ik kijk om, maar hij is al verdwenen.
  31. Ik steek het geld in mijn jaszak, bij de stoffelijke resten
  32. van mijn telefoon, waar ze horen.
  33. Ik moet alweer piesen.

Pagina 33 (zie het commentaar)

  1. Bij het parkje op het stationsplein spring ik van mijn fiets,
  2. hurk tussen de cipressen en laat mijn plas lopen, die dampend
  3. tussen mijn schoenen stroomt. God verhoede dat een van mijn
  4. klanten me hier aantreft.
  5. Ondertussen pak ik het bouwpakket van mijn telefoon uit
  6. mijn zak en knutsel ik het ding in elkaar. Gek genoeg doet hij het
  7. nog. Als aandenken aan de grote schrijver zit er alleen een barst
  8. in het glas van de display dwars over de foto van mijn zus op het
  9. beginscherm.
  10. Terug op de fiets begint het malen, alsof mijn benen mijn
  11. brein in beweging brengen, de hele avond gaat door de mangel,
  12. mijn hele leven, en het houdt niet op, o nee het houdt niet op,
  13. veel te veel gedronken, veel te veel gebeurd, veel te veel verdriet.
  14. Was ik maar thuis.
  15. Sliep ik, droomde ik.
  16. Ik wil Welmoed bellen. Hoe zou het met haar zijn?
  17. Dat zal ik vragen. Dan vraagt zij misschien hoe het met mij is.
  18. Wiggel, zal ze zeggen, Allard Wiggel, die zie je natuurlijk nooit
  19. meer terug.
  20. Twee jongens fietsen me slingerend tegemoet, broers zo te
  21. zien, of lijken ze gewoon op elkaar? Ik ken ze niet. Ik kijk weg.
  22. Zij juist niet, want eentje roept in het voorbijgaan: ‘Huilt u, mevrouw?
  23. Hebt u zich pijn gedaan?’
  24. ‘Zo zou je het kunnen noemen,’ zeg ik.
  25. ‘Och, liefdesverdriet,’ stelt de ander vast.
  26. Was dat maar waar.

twee reacties

cherry

Liefde Spells 2015 No1 Lost Love Spell Liefde spreuken caster om je
Man terug of vrouw, ex minnaar Verloren liefde spreuken om u te helpen terug te krijgen
met je ex-lover, ex-vriendin of ex-vriendje. Worden herenigd met
een high school sweetheart of uw zielsverwant met Chris Gaza
verloren-minnaar liefde ban. Deze krachtige verloren-lover spell zal elk merk
verloren minnaar komen naar u terug.
{Bel DR FRANK 2348078366264}
Het krijgen van uw geliefde of man terug
spirituele kogelvrije
geld spell
Lange levensduur spell
welvaart spell
bescherming spell
job spell
manager spell
Hier krijg je een enorme lening zonder te betalen een vergoeding spell
Het krijgen van uw opgelicht geld terug
zwangerschap spell
vrijheid spell
CastLove spell
verdwijnende spell
succes spell
huwelijk spell
wrekende spell
populariteit spell
Killing spell
kanker spell
Bovennatuurlijke kracht ban
waanzin spell
Gratis huis huurbasis
Productie ban van films en film
Hiv / aids ban
tuberculose spell
Losse gewicht en lichaam ban.
En nog veel meer
nu contact met mij op voor uw rust van de geest, ongeacht de situatie waarin je bent
op dit moment geconfronteerd met een snelle oplossing.
BLACKSPIRITSTEMPE@GMAIL.COM

cherry, - 11-01-’15 00:00
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog