De wrede wiskunde van genot

Over Jan Lauwereyns, Theorie van de rondworm (Koppernik, 2015)

‘wie waanzin wil begrijpen, / moet de beweging bestuderen’, schrijft Jan Lauwereyns in zijn nieuwe dichtbundel Theorie van de rondworm. Het is op die eerste bladzijde nog niet duidelijk of hij een specifieke beweging voor ogen heeft. Een ballet, een dans, bewegingen van mensenlichamen of wormen die een wetenschapper door een lens bekijkt. Het gedicht wentelt snel over de pagina’s.

De hoofdfiguur (‘hij’) is vader, hoofd van laboratorium. Hij schrikt wakker en springt de metro uit op weg naar huis en realiseert zich pas tijdens de sprong dat het niet zijn station is. Zo belandt hij in een tussentijd, het signaal van de metro die zou vertrekken deed hem in zijn ontwaken naar buiten spurten. Of hij nu het station verlaat of een andere metro neemt is niet meteen duidelijk, wel komt hij bovengronds en vindt er een ontmoeting plaats. Hij volgt iemand wier billen ‘geen domme hammen, maar Grieks marmer’ zijn, en waarmee hij ooit gedanst heeft, drie jaar geleden.

Wat tot hem sprak
waren niet de vormen op zich,
maar het feit dat zij die bezat,

het feit dat zij die bezat en vroeger niet.

We zijn al halverwege de bundel, die uit een doorlopend gedicht bestaat. Lauwereyns publiceerde eerder acht dichtbundels, het essay Splash en de roman Monkey business. Gedichten van Jan Lauwereyns lopen uiteen van bijna nerdy observaties van muggen tot klinkklare lyriek. Zijn hoogtepunt Hemelsblauw bevatte parabels, vertellingen en klassieke gedichten, die veel verwijzen naar Oosterse tradities. Hij won er in 2012 de VSB Poëzieprijs mee. Lauwereyns is neurowetenschapper en woont en werkt in Japan. Het is een opvallend schrijver, springerig en tegendraads, wiens werk zowel een voorkeur voor een lichte toets als voor een complexe materie verraadt.

*

‘Wanneer begint de twijfel? // Wanneer breekt het ogenblik aan / waarop we het meervoudige van mogelijkheden zien?’ Lauwereyns, of liever zijn protagonist, heeft het niet meer over het moment dat hij de metro uitspringt, maar het moment erna, het terug herkennen van de ballerina die inmiddels bardame is geworden. En toch hebben die twee momenten verband: ‘De ene scheur in de werkelijkheid / maakte de andere mogelijk’. De verkeerde halte ‘bracht hem in de ban van de wrede wiskunde / van genot’. Herinnerd wordt hoe hij de ballerina opving in de dans, een hand op haar romp en de ander op haar dij, zoals je een baby vasthoudt.

En dan volgt kern van de bundel, een gedicht waarin de verwarde wetenschapper zijn verliefdheid omschrijft: ‘hij was een paard / vrijgelaten in het veld’, losgeraakt, rare sprongen makend. Alles golft om hem heen, een ‘fragment van zijn denken’ komt los en raakt zelfstandig. In het gedicht dat erop volgt is dit een soundtrack geworden waarin de altijd terugkerende noot, ‘de ongenadigde C’, staat voor traditioneel, het mooie meisje. Dit is het hart van de bundel, het moment dat de dichter stilstaat.

Daarna vervolgt Lauwereyns het verhaal en rijgen de pagina’s weer aaneen. Hij omschrijft seks met wormen, hoe die langs elkaar glijden. De hij-figuur gaat Het Geheim binnen, een nachtelijke snackbar. En pas dan dringt tot de lezer door wat Jan Lauwereyns aan het doen is met zijn Theorie van de rondworm: hij maakt manga, hij schrijft een strip met gedichten. In Het Geheim vindt hij de ballerina terug en ook ‘de naakte holtes / van haar ellebogen’. Maar er is ook een maffiatype naast hem aan de bar. Lauwereyns spint alle benevelde handelingen in Het Geheim minutieus uit, de allusie op een bordeel vallen niet mis te verstaan. Uiteindelijk valt de maffiafiguur met zijn oog op een ‘tangens’: een eetstokje in de vuist van de hij. De vrouw dwingt hem te vertrekken en laat hem beloven nooit terug te komen, zij zal het voor hem oplossen. En wat volgt is het gekrioel van de wormen, niet meer bezien door de lens maar in zijn kokende hersenpan zelf, terwijl hij langs het strand loopt en terugspringt voor de golven. Zij is een heldin. Wormen zijn ‘s mans hersenen. ‘De zee was opvallend stil, bijna een meer / dat nauwelijks ademde, dat met tegenzin zachte, / verlegen golven baarde.’

Theorie van de rondworm is een bijzonder mooi boekje. Jan Lauwereyns brengt zijn bijna weirde, neurowetenschappelijke obsessies en zijn lyrisch dichterschap samen in een harmonieuze serie. Die is beknopt vergeleken met het rijke palet van zijn vorige twee bundels. Maar het resultaat is wel zo geslaagd, alles komt uiteindelijk samen in deze suite. Jan Lauwereyns is een denkend dichter, zoals de Fransman Philippe Beck dat is. Maar wel een die meeslepend is, trefzeker. Hij maakt een theater van bewegingen en vlecht die aaneen tot een intrigerende dans.

*

Deze recensie maakt onderdeel uit van een nieuw initiatief van de Revisor, om elke week poëzie te bespreken. Alle bijdragen zullen in de rubriek poëziekritiek terug te vinden zijn. Een kwantitatieve inventarisatie van de kwaliteitsbladen in de Lage Landen ging eraan vooraf. Deze week schreef Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer over Hubert van Herreweghens De bulleman en de vogelsVorige week: Janita Monna in Trouw over Voor altijd voor het laatst, het proza van dichteres Tjitske Jansen, en Dieuwertje Mertens Ilja Leonard Pfeijffers Idyllen. Verder geen poëzie in de dag- en weekbladen.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog