30 Maart 2018

Deze week gelezen: Siebelink en Donkers

Deze week, of eigenlijk de afgelopen weken, las de redactie Jan Siebelink en Owen Donkers.

Daan Stoffelsen: Jan Siebelink

Ik had niet bedacht veel te zeggen over de keuze voor Jan Siebelink als Boekenweekgeschenkauteur. Oscar was destijds een teleurstellende leeservaring, om het mild te zeggen. En De buurjongen niet overweldigend. Deze geschiedenis van de buurjongen van het gezin uit Knielen op een bed violen is kalm beschreven - op het saaie af. Deze buurjongen - bijna consequent met zijn volledige naam Henk Wielheesen aangeduid - is niet helemaal goed. Terwijl hij een geweldig geheugen heeft en bijvoorbeeld alle Latijnse plantennamen van zijn buurmans kwekerij onthoudt, kan hij slecht tegen spanningen. (Wie heeft de DSM bij de hand?)

En die zijn er: zijn moeder verongelukt, en de nieuwe vrouw is een stiefmoeder als uit de sprookjes, die omkomt in een kas. Maar hij vindt het geluk met een jongere vrouw, en een dochter, en wordt immer gesteund door Ruben, de buurjongen die opklimt tot rector van het gymnasium. Er is een indrukwekkende stormscène, die doet denken aan de supermarktscène in Ian McEwans Het kind in de tijd. En sommige dramatische feiten verwerkt Siebelink dan weer heel subtiel in zijn vertelling.

Goed gedaan dus. Wat is er dan mis met Siebelink als Boekenweekgeschenkauteur? Twee dingen. Wat maakt dit verhaal het schrijven en lezen waard? Henk Wielheesen (ik blijf zijn achternaam maar noemen) is geen memorabel personage. En er zitten gaten in het vertelperspectief. Siebelink blijft dicht bij zijn hoofdpersoon, met een simpele woordkeuze. Maar dan is in 'Henk Wielheesen voelde zich blij en onbekommerd' het woord 'onbekommerd' zo eigenaardig, welke elfjarige gebruikt dat, of 'in de greep van een grote verlegenheid of schaamte'. Dat is een alwetende verteller die ervoor schuift. En een zin als 'Zijn neiging om onder het lopen een tak of het plaveisel even aan te raken, had hij bedwongen.' is simpelweg niet erg mooi. Misschien is het een kwestie van concentratie. Dat wensen we deze tachtigjarige dan maar van harte toe, en we kijken vast vooruit. Wie in 2020?

Jan van Mersbergen: Owen Donkers - Dryocopus

Al lang ben ik op zoek naar een vertelling waarin met alle perspectieven gespeeld wordt: de verteltijd en degene die gevolgd wordt. Ik ben nogal streng in dit soort zaken, als schrijver maar vooral ook als redacteur, want een zwabberend perspectief komt bijna geen enkel manuscript te boven, daarmee verlies je de focus, verlies je de lezer. Tot je een boek in handen krijgt dat spot met die strenge opvattingen, dat laat zien dat het wel kan: alles door elkaar vertellen, en toch speels en tegelijk duidelijk zijn, en in hoge mate overdrachtelijk. Een boek dat juist de lezer bindt door plaats en tijd door elkaar te husselen, door in en uit het hoofd van de verteller te gaan, door te laten zien (show) maar ook door te vertellen (tell) – zaken waarover veel gezegd wordt maar die zelden begrepen worden.

Owen Donkers schreef met Dryocopus zo’n boek: een kleine vertelling, zo’n 140 bladzijden, maar dicht opeen gepakt wat betreft intensiteit en met een hoog tempo.

Laat je niet afschrikken door de titel, een woord dat ik amper uit kan spreken zonder te hakkelen, en dat weinig beelden oproept, dit is spotten (hierover later meer) met de boekverkoperswetten. Het betekent overigens specht, maar dat weet niemand.

Ergens net voorbij de helft schetst Donkers in Dryocopus dat het moeilijk is je uit te drukken in een andere taal, in dit geval een Nederlander die zich in het Frans moet zien te redden, maar ook het gemak waarmee mensen gewoon communiceren bijvoorbeeld aan tafel bij de Chinees; dan is het noemen van een nummer op de kaart voldoende om duidelijk te zijn. ‘Geïsoleerd door taal,’ is een mooie term. Deze hoofdpersoon (een schrijver) probeert Franse romans te lezen, zwoegt zich daar doorheen, maar geen allochtoon in Nederland zag hij ooit met Een nagelaten bekentenis in de tram zitten. Nergens voor nodig.

Een man ligt ergens in een bos en een achtjarige jongen is erop uitgestuurd om hulp te gaan halen. Goed begin. Die man heeft ratelende gedachten, paniek. Hij denkt van alles, over de natuur, over ene Pauline, over een boom. Dat wordt afgewisseld met beschrijvingen in de derde persoon die hem laten zien. ‘Hij moet nadenken.’ En vervolgens denkt hij na en wordt dat ook verteld. ‘Denis is slim.’ Dat is die jongen. ‘Denis wijst de weg. (...) Hij kan het halen.’

Paniek vertalen naar proza – dat is erg moeilijk. De lezer moet dit gaan voelen, en dat doet Donkers door korte zinnen in rap tempo op de lezer af te vuren. Die man is een schrijver en hij heeft iets met films. Hoe mensen met iemand praten als ze horen dat hij schrijver is, dat is erg herkenbaar. De verteller en die man lopen door elkaar; is dat Donkers zelf? Ik weet het niet, ik weet alleen dat die bladzijden vlug door mijn vingers gaan.

‘Hij maakte zich niet druk. Ze woonden in Frankrijk.’

Zo’n opmerking tussendoor, als verteld wordt hoe ze in Metz terecht zijn gekomen, geeft de lezer veel ruimte en toch is er geen sprake van het misleiden van die lezer, geen verteller die omwille van de spanning informatie achterhoudt. Deze verteller probeert te ordenen, en daarin volg je hem.

‘Het bos was stil. Niemand te zien. Na een tijdje kwam hij bij een veld. Een groot, leeg veld, aan drie kanten door bomen omsloten. Gras, hier een boompje, daar een bloem. Verderop een paard. Hij keek door zijn verrekijker. Ja, een paard. Een veld met een paard. Geen mensen, geen geluid. Hij liep in Frankrijk door het bos. Hij woonde hier. Hij had een specht gezien.’

Heel sterk. Zintuiglijk. Beschrijvend, maar ook vol twijfel op het moment zelf. Eerst iets zien, dan die verrekijker, dan de bevestiging: ja, een paard. Dat maakt van de man die beschreven wordt een mooie stuiterende speelbal van de verteller, maar ook iemand die graag gevolgd wordt, want er is iets met hem, hij is kortademig, hij weet het allemaal niet meer.

Over een rivier in Frankrijk, waar de hoofdpersoon als kind op een camping kwam: ‘En de rivier stroomde. Al bleef je een jaar weg. Je kwam terug, hij stroomde nog steeds.’

Punten en komma’s zetten in proza is een vak apart. Donkers zet ze allemaal op de juiste plek, zodat zijn zinnen een goed ritme hebben. Vergelijk:

‘En de rivier stroomde, al bleef je een jaar weg. Je kwam terug, hij stroomde nog steeds.’ Dat is een compleet andere zin. Die keuzes, dat is schrijven. Die maken schrijven eigen. Dat maakt proza persoonlijk.

Dialogen schrijft Donkers achter elkaar door, zonder aanhalingstekens, in een vanzelfsprekend ritme, allemaal goed te volgen. Als Pauline en de verteller onenigheid hebben over waar ze moeten gaan wonen – de verteller wil naar Frankrijk, zij gaat werken in Duitsland, een eind van Frankrijk vandaan: ‘Pauline zag er geen bezwaar in. Pauline zag zelden ergens bezwaar in. Dan moet je supervroeg op. Ga ik eerder naar bed. Dan zit je uren in de trein. Kan ik rustig werken. Dan ben je nooit meer thuis. Quatsch.’

Donkers schrijft alles aan een stuk, en het loopt heel goed. Dit gesprek had hij ook kunnen uitschrijven als:

‘Pauline zag er geen bezwaar in. Pauline zag zelden ergens bezwaar in.
Dan moet je supervroeg op.
Ga ik eerder naar bed.
Dan zit je uren in de trein.
Kan ik rustig werken.
Dan ben je nooit meer thuis.
Quatsch.’

Maar dat maakt van de verteller een andere verteller, alleen door die bladspiegel. Dat verspringen suggereert ruimte, maakt van die ene stem twee stemmen, geeft aan dat de verteller niet voor zichzelf dat gesprek terughaalt, maar laat zijn Pauline eigenlijk zelf praten, samen met de verteller. Ingewikkeld, maar zo werkt een harde return: het maakt twee stemmen, die er niet zijn, want alleen Donkers is hier de verteller, in de derde persoon, en niemand anders. Donkers vertelt en zijn stem is dominant. Bijzonder strak gedaan.

De hele vertelling ligt die man in het bos, gewond, en je weet niet precies wat er gebeurd is, je weet alleen dat hij zijn tijd door moet zien te komen tot hij gered wordt. Hij heeft geen eten bij zich.

‘Hij had twee chocoladebroodjes moeten kopen, een voor hem, een voor Denis, en die in zijn rugzak stoppen. Had hij het gedaan, dan lag hij hier überhaupt niet. Dan zat er nu een gat in zijn rugzak. Niet in hem.’

Hoe kan dat werken? De voltooid verleden tijd gebruiken, informatie achterhouden voor de lezer die de verteller wel weet, niet benoemen wat de verhouding tot die jongen is die Denis heet? Hoe kan dat wel werken? Elementen gebruiken die meestal tot brak proza leiden, en toch daar heel sterk proza van kneden. Mysterieus, dit schrijven. De woordkeuze, het tempo en de beelden geven van deze zinnen leven. Dat is lef. De durf die elementen te gebruiken, en ze de baas te worden. Heel knap.

Grappig zijn de opmerkingen die bij de beschrijvingen worden geplaatst. Als de hoofdpersoon het vogelspotten langzaam ontdekt en een verrekijker aanschaft, tijdens een verblijf in Amerika, dan ziet Pauline hem vanuit hun huis naar buiten kijken en zegt ze: ‘Staat de buurvrouw in de badkamer?’

Dat vogelspotten is een rode draad. Mooi hoe de hoofdpersoon het ontdekt, mooi hoe het ontdekken van die vogels gelijk loopt het lezen. De hoofdpersoon is schrijver, keek amper om zich heen, zag geen enkele vogel. Hij had nooit gedacht dat er zo veel te zien was buiten, en helemaal voor niks. Die vogels, ze zijn er. ‘Je hoefde ze alleen maar te zoeken.’

Dat geldt voor vogels, die in de bossen zitten, die je niet zo maar ziet, soms heb je een verrekijker nodig, maar ze zijn er echt. Dat geldt ook voor mooie kleurrijke prozaboeken, zoals Dryocopus. Ze zijn er, die kleine pareltjes, vertellingen die niet schreeuwerig je aandacht vragen maar plots in je vizier komen en ook al vliegen ze weer weg, ze blijven nog heel lang op je netvlies hangen.

Je hoeft ze alleen maar op te zoeken.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog