31 December 2016

Het evangelie volgens García

'The Gospel According to Garcia' werd 2 november 2015 in The New Yorker gepubliceerd. Het is het verhaal van een klas ('wij', twaalf leerlingen) die een vervanger krijgt. De vorige docent is verdwenen - de politieke achtergrond is roerig. De vertellers zwijgen bij de entree van de nieuweling, en denken terug aan de lessen van hun oude docent. Een ode aan een leraar, en een illustratie van hoe zelfs zwijgen verzet kan zijn - als we standvastig zijn.

Toon Theuwis vertaalde het voor ons, onder begeleiding van Nicolette Hoekmeijer, met steun van het Nederlands Letterenfonds, en wij publiceren het vandaag en in het eerste nummer van 2017.
De redactie wenst u een goed nieuw jaar, met nieuwe literatuur en een kritische blik.

*

We zagen hem binnenkomen, zagen hem aarzelen op de drempel van het klaslokaal en even wachten, zijn eerste blunder, wat ons genoeg tijd gaf om hem in te schatten, wat hem net te weinig tijd gaf om hoogte te krijgen van wie wij waren, te bedenken met welke strategie hij ons op zijn hand kon krijgen. 
Hij kuchte, alsof hij zo zijn zware ademhaling kon maskeren, een zucht bijna, en vervolgens stapte hij met geveinsde vastberadenheid binnen en ging achter zijn tafel zitten. 
Hij ging zitten waar García altijd had gezeten, zomaar, alsof hij daar recht op had. 
Hij glimlachte naar ons, nog een blunder, en toen: ‘Misschien moeten we onszelf maar eens voorstellen,’ zei hij. Onszelf? Verwees hij naar zichzelf? Was hij zo verwaand dat hij naar zichzelf verwees in het meervoud? Of doelde hij ook op ons? Was het een uitnodiging naar ons twaalven, die symmetrisch tegenover hem zaten? 
Wij zwegen.

Lees hier de PDF (155.5 kb)

Niet dat we een stilzwijgende afspraak hadden of iets in die geest. We hadden zelfs helemaal niets meer tegen elkaar gezegd sinds we het nieuws over García hadden vernomen. Maar García had ons verteld hoe we ons in dit soort situaties moesten gedragen. Hoe langer je een geheim bewaart, hoe groter, hoe machtiger het geheim wordt, had García gezegd en die woorden galmden nog na in ons hoofd. Hij had verteld over het zwijgen van inheemse volkeren, die stommetje hadden gespeeld, die waren gaan inzien dat geen enkele bezetter echt de overhand kon krijgen, hoe fel zijn blik, hoe sterk zijn wapen, hoe sluw zijn list ook was, zolang hij hun taal niet sprak. Vergeet dat niet, zei García, zorg dat je in het hoofd kruipt van mensen die zijn onderworpen aan een autoriteit die ze niet uit vrije wil hebben gekozen, en onthoud wat zij hebben geleerd: je kunt niemand echt gevangen houden zolang je zijn stem niet hebt gehoord. Als je door je vijand niet onder de knoet wilt worden gehouden, weet je wat je moet doen.
Dus wachtten wij gewoon af.
‘Ik denk dat ik het voorbeeld maar moet geven,’ zei de man toen — dat waren zijn woorden. ‘Om het ijs te breken, om het zo maar te zeggen,’ en op slag veranderde zijn glimlach in een onnozele grijns. Hij knipte met zijn vingers, wat vertrouwen moest uitstralen, maar wat hem alleen maar zieliger maakte; hij knipte als een militair met zijn vingers in de richting van het raam en de storm die daarbuiten woedde. ‘Hoewel,’ voegde hij eraan toe, in een poging om joviaal en gevat over te komen, ‘met dit weer is ijs misschien niet het meest voor de hand liggende beeld. En wat dat breken betreft, tja, jullie onderbreking heeft echt wel lang genoeg geduurd, toch?’
Wij bleven zwijgen.
Als hij in de leer was geweest bij García, dan had hij onmiddellijk geweten wat hem te doen stond: uitvogelen wie van ons, jongen of meisje, de zwakste schakel was, degene die onder de druk zou bezwijken en instorten, en hem of haar een ogenschijnlijk onschuldige vraag stellen — ‘En jij bent?’ of ‘Vertel jij mij eens waar jullie waren gebleven’ of ‘Hoor jij tot de groep die volgende maand echt moet slagen?’ — de vraag deed er echt niet toe, zolang hij zijn vizier maar scherp stelde en haar zover kon krijgen om te antwoorden, zodat ze haar blik kon afwenden, zijn blik niet hoefde te kruisen, terwijl onze blik op hem gefixeerd bleef en hij haar onder de duim kreeg. Ja, als hij ook maar heel eventjes in de leer was geweest bij García, dan had hij geweten wat hij had moeten doen, waar García ons voor had gewaarschuwd, de methoden van bevelhebbers om te verdelen en te heersen, om te zorgen dat onze angst voor hem sterker was dan onze liefde voor elkaar, sterker dan de liefde die we destijds, en nog altijd, voor García voelden.
In plaats daarvan ging deze buitenstaander zich verontschuldigen. Bied nooit, echt nóóit je excuses aan als je niets verkeerds hebt gedaan. García's gulden regel nummer vier. Bewaar je sorry's en je excuses en je vergeef het me's, en vooral je alsjeblieft, alsjeblieft, vergeef het me's voor dat ene moment in je leven waarop je ze echt nodig zult hebben, die woorden. En reken maar dat je dit soort smeekbeden nog hard nodig zult hebben, zei García, knikkend met zijn witte haardos, o wat zul je om die woorden smeken, jezelf gelukkig prijzen dat je ze niet al hebt verspild aan iets wat je je hebt ingebeeld, een futiliteit. Jullie zijn puberende pups, jullie denken het eeuwige leven te hebben net zoals ik vroeger, vergeet het maar, als je ziet wat er daarbuiten gebeurt, als je ziet wat hier binnenkort kan gebeuren, mijn jonge vrienden, maar ik kan jullie verzekeren dat jullie op een dag allemaal zullen staan — nee, correctie (García corrigeerde zichzelf maar al te graag), correctie, zei García, dat jullie op een dag zullen knielen, knielen voor een paar beschuldigende ogen, dreigende voeten, voeten die jullie misschien schoppen of voeten die iets veel ergers doen. Wat we soms nog het meest moeten vrezen, zijn voeten die weglopen, weglopen en ons voor eeuwig en altijd alleen achterlaten. Eenzaamheid is wat jullie het meest moeten vrezen, meer nog dan een slag of een trap of zelfs honger. En dan zijn de woorden alsjeblieft, alsjeblieft vergeef het me het enige wat jullie scheidt van de put en het moeras van de diepste wanhoop. Verspil ze dus niet aan onbelangrijke zaken. De wereld is verdoemd omdat mensen zich niet verontschuldigen voor hun zonden, hun misdaden of gewoon voor hun lafheid, maar ze is nog meer verdoemd omdat mensen zich veel te vaak verontschuldigen — ze gebruiken hun berouw als een middel om niet te hoeven nadenken over wat ze hebben gedaan, als permissie om te volharden in hun verblinding, om henzelf vergiffenis te schenken zonder boetedoening of inzicht. Jullie, jonge vrienden, zullen die fout niet maken, beloofde García ons. Jullie zullen weten wanneer het beter is te zwijgen.
Maar deze vervanger — de enige die de baan had durven aannemen nadat de collega’s dat hadden geweigerd, hun eigen vorm van stil protest, waardoor de rector, die klootzak, voor de onmogelijke taak had gestaan om een vervanger voor García te zoeken, om een idiote docent uit god weet welk erbarmelijk instituut uit te nodigen, te benoemen en aan ons voor te stellen — deze kerel, deze omhooggevallen beginneling, hij zat dan wel in García's stoel alsof hij daar recht op had, maar hij had García’s advies niet gehoord. Deze man had de verdenking op zich geladen nog voor hij zijn mond had opengedaan, gewoon door de manier waarop hij had geaarzeld op de drempel, gewoon door de manier waarop hij zelfs zijn zucht niet had kunnen verbergen.
‘Ik snap dat dit lastig is voor jullie,’ zei hij. ‘Ik vind het net zo erg als jullie dat er — maar nee, daarvoor ben ik hier niet, jullie zijn het vast met me eens dat bepaalde onderwerpen beter onaangeroerd blijven. En dat wij onze kopjes niet mogen laten hangen wanneer een crisis zich voordoet, en dat wij in een geest van saamhorigheid ons beste beentje moeten voorzetten, ons hoofd erbij moeten houden, een luxe die momenteel niet iedereen zich kan permitteren.’
Hij zweeg even om te peilen wat voor resultaat zijn dooddoeners hadden op onze mogelijke band met hem. Toen wij ons in stilzwijgen bleven hullen, vulde hij de leegte ogenblikkelijk op. Doe dat nooit, was García tegen een van ons tekeer gegaan na vijftien eindeloze minuten stilte aan het begin van zijn eerste les, maanden geleden, nadat hij het lokaal was binnengekomen, ditzelfde lokaal, zijn boeken en papieren met een klap op de tafel had gelegd, zijn handen rustig had gevouwen en zijn mond had geopend om alleen maar een miniem straaltje lucht te laten ontsnappen en weer in te ademen, en alleen had gesproken toen iemand van ons een vraag had gesteld, of iets wat daarop leek, misschien was ik het zelfs die zich niet langer had kunnen bedwingen, ondanks de waarschuwingen van de leerlingen die genoeg mazzel, genoeg problemen hadden om door García persoonlijk te zijn uitverkoren voor zijn legendarische lessen. En zacht, bijna onhoorbaar, berispte García haar of hem of mij of wie het ook was geweest: Dus jij kon nog geen kwartiertje stilte verdragen, hè? Jij kon niet gewoon even wachten, de tijd gewoon rustig laten vertragen? Nee, jij wilde de minuten opjagen, ze opschrokken alsof het snoepjes waren. Een schamel kwartiertje. Dat kon jij niet aan. Zeg me dan eens, mijn engeltjes, hoe gaan jullie de eeuwigheid dan aankunnen? Hoe zullen jullie in staat zijn de dood in de ogen te kijken? Dat is de enige vraag die ertoe doet, zei García, de enige die bepaalt wie we zijn, dus je kunt er maar beter op voorbereid zijn. En een kwartiertje is dan zo gek nog niet.
Deze vervanger zou gezakt zijn voor García's eerste test en waarschijnlijk ook voor zijn tweede en derde. En toch ging hij ervan uit dat wij zijn handje gingen vasthouden, afmaken wat García was begonnen.
‘Ik ben hier om te helpen,’ zei de nieuweling nu met een minzaam glimlachje, maar wij wisten wat zulke glimlachjes betekenden, wij waren er goed in getraind om ons niet in de luren te laten leggen door charmeurs. Wanneer iemand je een compliment geeft of je naar de mond praat of schijnheilig beweert dat jij de beste bent en meer waard bent dan wie dan ook ter wereld, kijk dan maar uit. Wees steeds hoffelijk bij eerbetoon, heb mededogen met degenen die nog van niets weten, maar laat je door hun gladde glimlach of hun bedrieglijke bewieroking niet in de val van de zelfgenoegzaamheid lokken. Trek je geen donder aan van wat anderen over jou denken, had García gezegd. Wees nooit bang om anders te zijn of rebels, bestempeld te worden als een dwarsligger. Hebben jullie die al eens gehoord — niet dwarsliggen? Alsof het niet volkomen logisch is, en vanzelfsprekend, en bewonderenswaardig, om dwars te liggen wanneer dingen verkeerd lopen. Of stel je voor dat je — zoals ik — voor lelijk wordt uitgemaakt, gewoon lelijk, zei García. Lelijk geboren worden en lelijk opgroeien heeft me kracht gegeven, misschien zelfs wijsheid, al vraag ik me de laatste tijd af of ik wel zo wijs ben. En toen voegde García er nog aan toe, schijnbaar uit het niets: Vergeet niet dat wie in een relatie de meeste liefde geeft uiteindelijk de klos is.
García keek uit het raam — het was het begin van de herfst en de bomen baadden in een zee van licht, alsof de winter nooit zou komen, alsof er nooit honden zouden blaffen naar voorbijdenderende tanks — en heel even gleed een zweem van pijn of verdriet over zijn gezicht, en hij draaide zich weer naar ons alsof hij uitkeek naar onze opmerkingen, hij had ons verteld dat we aan elke uitspraak van hem moesten twijfelen als we dat nodig vonden, en hij was niet teleurgesteld toen iemand vroeg, deze keer was ik het zeker niet: ‘Betekent dit dat we beter nooit intens van iemand kunnen houden, ons beter nooit helemaal aan een ander mens kunnen geven?’
Een ander mens, zei García, nu volkomen kalm, een záák, een revolutie, iemand of iets buiten onszelf en boven onszelf en beter dan wijzelf — o, ik heb nooit willen beweren dat we ons niet mogen geven aan krachten die mooier zijn dan ons eigen nietige zelf. Alleen dat wij ons ervan bewust moeten zijn, dat we ons niets laten wijsmaken over de offers en de verliezen die een dergelijke overgave met zich mee kan brengen, dat we bereid moeten zijn er een prijs voor te betalen. Denk na, denk na voordat je springt — en spring dan, volg gewoon je hart. Een gedachte zonder gevoel is leeg; een gevoel zonder daad is onecht. Maar laat anderen niet alles weten wat je denkt, geef niet alles uit handen, ongeacht hoe hartstochtelijk je bent, hoezeer je naar liefde verlangt. Hou altijd een beetje voor jezelf, iets wat alleen van jou is, helemaal en alleen van jou.
‘En ik kan jullie niet helpen,’ ploeterde de vervanger verder, ‘tenzij jullie me wat informatie geven, meer dan wat ik heb aangetroffen in de notities waar mij toegang tot is verleend door de bevoegde instanties.’ Wat onze onmiddellijke aandacht verdient, zei hij, en hij wikte zijn woorden en probeerde in te schatten hoe ze op ons overkwamen, ‘zijn de toetsen, deze — wat moet ik ze noemen? — opstellen, reacties, essays, ik weet niet precies wat hiervan de bedoeling... het onderwerp dat jullie werd opgegeven door mijn collega, door...’ En toen leek het net alsof hij de naam García eruit zou flappen, maar hij deed het niet. Hij had durven suggereren dat hij een collega was, hoewel hij nooit García's pad had gekruist, alleen idioten zouden geloven dat zij ooit maatjes waren geweest. En wat nog meer? Ging hij beweren dat ze volgelingen waren van dezelfde leermeester, samen hadden gestudeerd, zoals wij nu? Het was duidelijk dat hij García nog nooit van zijn leven had gezien, zoals hij ons ook nog nooit had gezien, alleen wat wij een maand eerder hadden opgeschreven, de papieren die hij nu uit een glanzende zwarte tas tevoorschijn haalde en waarmee hij voor de klas stond te wapperen.
‘De toetsen,’ herhaalde hij, ‘we zitten met een probleem, jullie en ik, wij allemaal. Slechts de helft ervan is nagekeken en zelfs díe zijn niet... er staat in ieder geval geen cijfer op. Dus we weten het niet precies, de directeur en het schoolbestuur, ik bedoel, ze willen dat ik dit rechtzet. Alles opnieuw nakijk, zodat dezelfde norm wordt gehanteerd, als jullie begrijpen wat ik bedoel. Want jullie moeten tenslotte slagen, een baan vinden, jullie ouders en voogden vergoeden voor de kosten en moeilijkheden die ze... Van de twaalf die zijn ingeschreven voor deze bijlessen, zitten er zeven in het laatste jaar en die kunnen het zich niet veroorloven om het te verprutsen, niet met het einde van het semester in zicht. En de vijf anderen moeten ook niet worden blootgesteld aan dit soort besluiteloosheid — ja, besluiteloosheid is het juiste woord, nu ik erover nadenk. Dus laten we beginnen met de zeven die echt moeten slagen. Is dat geen goed plan?’
We gaven geen antwoord, noch de zeven laatstejaars noch de vijf anderen die zouden achterblijven en nog een jaar in deze verstikkende instelling voor de boeg hadden. We gaven geen antwoord — hij moest er zelf maar zien achter te komen. Daar werd hij tenslotte voor betaald, daarvoor werd García's schamele salaris ingezet.
Onze boodschap drong blijkbaar niet tot de vervanger door. ‘Dat kan toch niet, daar zijn jullie het hopelijk mee eens — en zo niet, als jullie blijven aandringen op. . . Kijk, ongehoorzaamheid blijft nou eenmaal niet ongestraft. Jullie weten nu vast wel dat er, dat er vergiffenis kan zijn, ja, maar alleen als er tekenen zijn van berouw. Zo niet, geen genade.’ Hij zweeg. Misschien had de rector hem wel verteld dat bij dit specifieke groepje adolescenten intimidatie niets had uitgehaald, dat enkel en alleen García iets van ons gedaan had gekregen en dat García nooit iemand had bedreigd en dat hij angst nooit als een oplossing had gezien. In ieder geval sprak de vervanger nu op zachtere toon. ‘Maar ik probeer hier alleen maar eerlijk te zijn, hoor, want het kan niet de bedoeling zijn dat één docent een deel van de toetsen nakijkt en voorziet van commentaar op basis van een bepaalde norm, en dat iemand anders, die compleet verschillende criteria hanteert, zich over het andere deel buigt. Dat kan toch helemaal niet, niemand zou kunnen zeggen wie er als beste uitkomt en wie er — tja, iemand moet verliezen, dat is het leven, een strijd om te overleven, en er moet nu eenmaal een soort hiërarchie zijn.’
Dat was natuurlijk kritiek op García, een sneer naar zijn moedwillig negeren van regels, zijn minachting voor elke vorm van rivaliteit. Ik geef jullie allemaal, stuk voor stuk, het hoogste cijfer, had García gezegd toen we ons eerste essay terugkregen — een korte reactie op de vraag ‘Bestaat er een manier waarop we rampspoed kunnen omarmen of moeten we het altijd zien als een gruwel?’ Dat is de vraag, mijn jonge vrienden — ofwel iedereen evenveel belonen, ofwel geblinddoekt pijltjes gooien naar namen op een muur en de pijltjes met cijfers erop laten beslissen wie het hoogste eindigt. Als ze eropuit zijn dat jullie elkaar naar de keel vliegen, als jullie hierbinnen tegen elkaar worden opgezet, zodat jullie het daarbuiten verder kunnen uitvechten, dan doe ik daar niet aan mee, zei García. Dat doe ik gewoon niet. Daarom laat ik jullie beslissen. Wat wordt het, pijltjes gooien in een absurd, willekeurig en wreed universum of allen voor één en allen voor allen?
Allen voor allen, net zoals nu, rustig de volgende zet afwachten.
‘Goed, dan,’ zei de vervanger opeens. Het was duidelijk dat hij zich niet schuldig voelde over het opeisen van García’s plek, dat hij meende ons een plezier te doen door het juk te helpen dragen. Het was duidelijk dat hij in geen geval vond deze tegenslag te hebben verdiend, deze penibele situatie met twaalf onwillige studenten tegenover hem die deden alsof ze van steen waren, alsof hij van steen was. ‘Goed, dan,’ herhaalde hij, ‘dit thema, “Waarom is onverschilligheid erger dan moord?” Ik moet bekennen dat het niet makkelijk is om jullie antwoorden na te kijken, omdat ik het niet eens ben, niet eens kán zijn, met het uitgangspunt. Dat er vooraf geen cursusomschrijving was gegeven, geen informatie over wat wordt verwacht van de leerlingen, heeft me ook niet geholpen, om nog maar te zwijgen van het merkwaardige gegeven dat steeds dezelfde woorden aan het einde van elk nagekeken essay waren neergekrabbeld: “Was het beter geweest nooit te zijn geboren?” Geen enkel ander commentaar dan die paar woorden.’
Wij hadden kunnen uitleggen dat García diezelfde woorden had uitgesproken toen we hem een maand geleden voor het laatst hadden gezien en hij ons met die opdracht had verrast, en wij hadden gevraagd of hij toelichting kon geven bij de vraag die wij in de daaropvolgende twee uur moesten beantwoorden, of hij zijn leerlingen misschien even op weg kon helpen met de vraag waarom onverschilligheid erger zou zijn dan moord. Hebben jullie je ooit afgevraagd ‘Was het beter geweest nooit te zijn geboren?’ Dat was wat García antwoordde. In het geval er iets misloopt, had hij gezegd, want geloof me, in het leven is er altijd iets wat misloopt, daar kunnen jullie zeker van zijn, dan moeten jullie je afvragen, ‘Had ik beter niet geboren kunnen worden’. Kunnen jullie je een situatie inbeelden — verdiend of onverdiend, doet er niet toe, jullie lot wordt niet bepaald door het noodlot — een situatie waarin jullie dat zouden zeggen, smeken dat jullie nooit een voet op deze wereld hadden gezet, geen moeder hadden gehad? Wanneer jullie zozeer waren verraden dat jullie dat zouden zeggen?
Een van ons had een hand opgestoken, zoals steeds met de bedoeling om García uit te dagen, om ons niet te laten intimideren door zijn leeftijd of zijn positie of zijn kennis of zijn reputatie — vertel me niet alles wat je denkt, maar hou je niet in als je iets niet begrijpt, ik zou verdomme gefaald hebben als jullie tegen de tijd dat deze cursus is afgerond niet jullie eigen vleugels kunnen uitslaan, als jullie niet zelf tegen de stroom in kunnen zwemmen — en hij knikte naar de opgestoken hand en de vraag werd gesteld: ‘Wat heeft dit te maken met onverschilligheid en verantwoordelijkheid en moord?’
En hij glimlachte — o, het hele lokaal leek op te lichten door zijn glimlach — hij glimlachte en hielp ons eraan herinneren dat hij niet had gezegd dat verantwoordelijkheid deel uitmaakte van de opdracht, maar dat het woord bijzonder gepast leek als je bedacht wat er kon misgaan in het leven, wat er zeker zou misgaan in het leven. Wat de vraag betreft of je beter niet geboren had kunnen worden, tja, als je eenmaal een antwoord hebt gevonden op die vraag, al is het maar een voorlopig en onzeker antwoord, wanneer je eenmaal bent afgedaald naar die kelder, die duisternis waar de vraag zich noodgedwongen opdringt en je er niet langer omheen kunt, wanneer iemand volkomen onverschillig op je neerkijkt, jouw lijden aanschouwt met volslagen onverschilligheid, als jullie dat overleven, mijn jonge vrienden, dan zijn jullie er klaar voor, echt klaar om het leven te vieren als een onophoudelijke verrijzenis.
En zo wisten we het, weten we het nu eens te meer, terwijl we merken dat de vervanger een reactie probeert uit te lokken, zo weten we zeker dat er iets is misgegaan met García. We hadden al meteen een vermoeden toen de rector, die klootzak, drie weken geleden onze klas was binnengekomen en had gezegd dat García niet in staat was om die dag les te geven wegens omstandigheden die beter niet besproken konden worden, en dat de autoriteiten druk in de weer waren een oplossing te zoeken. Wij stelden geen vragen. Wij lieten de dingen onbesproken, niet om wat de rector had gezegd, maar omdat García ons had aangeraden om in geval van nood niets te zeggen wat ons in gevaar kon brengen, en na een week was hij er nog steeds niet en zaten we met z'n twaalven roerloos te wachten in dit koude lokaal, zonder elkaar aan te kijken of ook maar iets los te laten waaruit zou blijken hoe we ons echt voelden, dat we ons afvroegen of een van ons verantwoordelijk was voor zijn afwezigheid, of een van ons, hij of zij of ik, iets aan de vijandige buitenwereld had prijsgegeven waardoor García in de problemen was geraakt, we zeiden twee uur lang geen woord, en aan het einde van de les lieten we elkaar verstaan, alleen maar door de manier waarop we opstonden, dat we hier de week daarna weer zouden zitten, en dat deden we dan ook, we kwamen een week later weer bijeen, hoopten tegen beter weten in dat García zou binnenkomen, maar alleen de rector sukkelde naar binnen en beloofde dat voor de volgende les een vervanger zou worden gevonden. En toen wisten we zeker dat hij was neergeslagen, ergens op een weggetje, vlak bij een boom met daarin een vogel die keek hoe García's lichaam ondersneeuwde, of misschien in een kamer, wie weet waar, terwijl iemand, iemand die ooit geboren was uit een menselijke moeder, García naderde, naar hem keek alsof hij een homp vlees was. Als García niet kwam opdagen, als hij ons had verlaten, moest hij haast wel dood zijn, wisten we, alleen de dood kon hem beletten om hier te zijn en ons te vragen of we ons konden voorstellen dat we zozeer waren verraden dat het beter was als we niet waren geboren.
We blijven doodstil en wachten af.

© Ariel Dorfman, 2015
First published in The New Yorker
Vertaling © Toon Theuwis

Foto © Alexandre Laurin

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog