, 30 Oktober 2017

Paul (I)

Vanaf nu iedere maandag: nieuw verhalend proza van Shira Keller. Vandaag deel 1 van haar feuilleton getiteld Paul.

*

1. Paul

Op de boot. Suezkanaal, geloof ik. 13 december 1934, 3:30.
Je leert als kind dat geluk en ongeluk tegenovergestelden zijn. Dat is niet waar. Geluk en ongeluk zijn net zo tegenovergesteld als appels en peren. Groeit allemaal prima in dezelfde tuin.
Ik had het allemaal gepland, dagen geleden al, aardig briefje geschreven en alles, je moet niet denken dat er geen gêne is, het is pijnlijk dit op te schrijven nu ik gewoon weer in mijn cabine zit.

Ik heb de petroleumlamp laten branden en naar de wekker gestaard tot het me laat genoeg leek. Om drie uur verliet ik de cabine, in mijn nachthemd, lamp mee. Het was aangenaam stil, al die zonnebadende cognacjes drinkende luid pratende zich plomp en breed bewegende snobs die het schip vanmiddag nog bezetten, allemaal opgeslokt door de nacht. Spookschip. Het ploegen van de scheepsmotor, die alles lichtjes deed trillen en zoemen, achter een deur lag iemand te snurken, mijn lamp beet een grillige hap uit de hal, smeet pikzwarte bevende schaduwen achter kroonluchters en stoelen en bijzettafeltjes met schriele boeketjes, ik was rustig. Ik liep via de ontbijtzaal naar het dek (kille wind), liep op mijn blote voeten de roostertrap op naar het bovendek, alles volgens plan, dat de lamp uitwaaide deed er hier niet toe, langs de reling liep ik naar de boeg van het schip. Het regende een beetje.

Volgens mij kun je het zien als een bol, een cilinder, dat is hoe ik het me voorstel. De buitenste rand is de onverschilligheid; niet-klein, niet-groot, niet-warm, niet-koud, het is de staat ‘zonder eigenschappen’, de apathie.
De boeg. Probeerde me iets voor te stellen over consequenties, over hoe koud hoe wild het water, dacht aan mijn broer (‘mijn broer mijn broer’), maar het was alsof ik me een droom probeerde te herinneren nadat die was vervlogen, klanken die nergens naar verwezen. Een regendruppel die zich heel traag losmaakt van het blad van een plant, zo ongeveer liet ik, kalmpjes, die ‘cilinder’ van me los, het ging vanzelf. Keek naar mezelf (zo kwam het me voor), hoe ik daar stond in mijn natte nachthemd, haarstrengen die aan mijn kaken plakten, hand aan die reling. Grimas. Wat ik zag liet me volkomen koud. (Dat had ik niet verwacht. Ik had verwacht dat het moeilijk zou zijn.) Bracht mijn voet naar de reling. Soepeltjes alles, niks geen weerstand.
Voet weer naar de grond, snel, draaide me om, schichtig het dek inspecteren, ik hoorde iets. Zie je wel: een man. Wit uniform, petje, ‘boordpersoneel’, kwam rennend op me af, ‘Miss!’, jaar of veertig schat ik. Hij stopte vlak voor me, hijgend, hand door haar. Wat ik hier deed, in het Engels, Brits.
Oh, nothing really.’ Dat klonk heel Engels. Ik was er verrast over hoe Engels dat klonk. ‘I couldn’t sleep.’
Hij keek naar me en ik móet het me ingebeeld hebben, iets anders denken zou idioot zijn, maar op dat moment, die fractie van tijd waarin hij naar me keek, me alleen maar even aankeek in het donker in de motregen, dacht ik, nee wist ik zeker dat hij het zag (wát zag?)… een kind? Misschien. Een peuter. In een onverlichte kamer, ze zit op de grond, ze strekt haar armpjes uit naar de deur die zich langzaam opent, hunkerend, en draait tegelijkertijd haar hoofdje af, stijf dichtgeknepen oogjes, ingehouden adem. Ze anticipeert op de klap. Dit: ‘Het centrum van mijn cilinder.’
En dat hij zich in haar herkende. Ook dat.
Nou, dat was genoeg, meer was er niet voor nodig.

Hij sloeg zijn blik neer, lachte, verlegen, (‘betrapt’?). Dat het om deze tijd niet was toegestaan om zich op het dek (zachte, aardige stem had hij) – dat het zijn taak was om – ‘shall we go inside?’. Stak zijn hand naar me uit, palm omhoog. Ik gaf hem mijn hand. We liepen naar binnen. Good night, good night. Ik ging naar mijn cabine. Daar ben ik nu.
Ik ben een beetje in de war.

14 december 1934
Hele dag met bonkend hart als een wesp rondjes over het schip gemaakt. Haastte me door de zalen, iedereen groetend, lachte te hard, bewoog te frivool, neuriede niet-bestaande melodietjes, hield deuren voor mensen open. Ik vond hem nergens. Wel: een stencil aan een muur met de pasfoto’s van het boordpersoneel, hun namen, hun kamernummers, daaronder hun roosters. Hij stond schattig op de foto. Hij heet Paul. (‘Paul Paul Paul Paul Paul.’) Nu moet ik slapen. Ha! Onmogelijk.

15 december 1934

In de kern van de bol komt alles samen en is alles hetzelfde. Het kleinste het grootste, zijn en niet-zijn, ik en iedereen, geluk en wanhoop, nu en niet-nu, ik moet hem zien. Ik ben niet onnozel, ik weet wat voor karikatuur ik van mezelf maak, tuurlijk, maar ik moet hem zien, zo is het nu eenmaal, en anders spring ik alsnog. (Mijn god, ik lééf!) 

15 december 1934, of eigenlijk al 16 december, het is 5 uur ’s ochtends.

Zo onwerkelijk alles. Straal vergeten hoe ik er kwam. Midden in de nacht. Stond, opeens, ‘zomaar’, voor de deur met zijn kamernummer. Prompt duizelig, een beetje misselijk. Besloot terug naar mijn cabine te gaan, klopte in plaats daarvan op de deur. Hapte naar adem.
Eerst gebeurde er niks. Toen gestommel, toen de deur die openging. (Geen petje, geen uniform. Slaperig gezicht. Badjas.) Moest mezelf met een hand tegen de muur in evenwicht houden, deed mijn best dat er natuurlijk uit te laten zien. Het duurde even voor hij me herkende. Mijn been trilde.
Hij: ‘Hey, you.’
Hi.’
Een minuut of zo. Moeten we daar zo gestaan hebben, wachtend. Toen trok hij de deur wat verder open, zette een stap achteruit, haalde een hand door zijn haar. ‘Come in,’ zei hij.

Over een week komen we aan in Batavia. Daar mag ik niet aan denken.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog