21 Mei 2018

Trainsong 35

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois een fragment uit Jan Kerouacs roman Trainsong, aangedragen en vertaald door Anna Visser. Online publiceren we nu een tweede fragment. Laat u verleiden, koop dat nummerof word abonnee.

 *

De volgende morgen zaten Milo en ik aan een tafeltje in de ontbijtzaal van Hotel Jan Luyken, enigszins verbijsterd dat we ons samen in Amsterdam bevonden - en ons allebei sterk bewust van de vreemdheid van alles, zogen we opgetogen en afgemat tegelijk, de vreemde vormen van alledaagsheid in ons op, als sponzen uit een andere wereld. We speelden met de onhandige kokervormige plastic verpakkingen en een hoop vleeswaren op een schaal… tot er opeens een zeer opvallend wezen verscheen.

Hij was lang, maar zijn postuur was op de een of andere manier onaf, als dat van een reusachtige puber, met een bierbuik en daaroverheen een felrood T-shirt van de staat Montana… blond, besnord… en ernstig in de war. Dit overduidelijk Amerikaanse wezen ging aan het tafeltje naast ons zitten, mompelde iets over een fles whisky en begroef zijn hoofd in zijn handen. Lijdt onder andere aan een jetlag, concludeerde ik direct.
Beschaafd als we waren, deden we alsof we deze dubieuze nieuwkomer negeerden en concentreerden ons op de merkwaardig slappe Nederlandse koffie en het oudbakken brood, dat zich makkelijk liet camoufleren met zachte boter en een arsenaal aan jammetjes. Toch viel het niet mee, voor mij althans, om die man met dat Montana-shirt te negeren. Op de een of andere manier voelde ik me verbonden met hem en zijn onverklaarbare lijden. Ik kon voelen hoe complex hij vanbinnen was – en begreep dat hij flink in de knoop zat.
Hij begon te praten, tegen niemand in het bijzonder.
'Ik liep door Harlem,' begon hij met een bepaalde vanzelfsprekendheid, alsof hij ons al zijn hele leven kende, 'en toen zei een zwarte kerel: ´Hé jij daar, met die Elmer Fudd-hoed!´1

Op dat moment haalde onze nieuwe vriend, ter demonstratie, iets zwarts uit zijn broekzak, wat hij op zijn blonde hoofd smakte. Het had iets weg van een pillbox-hoedje, met midden op een pom-pom.
'Nou, dus ik draaide me om, doodsbang, en ik glimlachte natuurlijk naar ‘m. En toen zei z’n buddy tegen 'm: “Laat die gast met rust man – iemand met net zo’n hoed als Elmer Fudd heb ik niks tegen!” Dus, je begrijpt, deze hoed heeft vandaag dus eigenlijk m’n leven gered – of was dat nou gisterochtend? Of nee… ik denk eigenlijk dat het morgen was. Shit, ik weet het niet meer… Goddomme! Is er hier dan helemaal nergens whisky?!'
Dit was Richard Brautigan.2 Net als ik, was hij hier voor een poëziefestival in de Melkweg, oftewel de Milky Way – een beruchte oude tent waar eerst de beatniks op af kwamen en daarna de hippies, en al tientallen jaren een zeer vooruitstrevend podium, galerie en café. In recente jaren had het podium nogal een metamorfose ondergaan: zoals sprinkhanen die treksprinkhanen worden, leken de bohemiens in punkrockers te zijn veranderd. Maar schijn bedroog. In werkelijkheid waren de beatniks gewoon ouder geworden en waren de hippies verdwenen, of hadden ze zichzelf binnenstebuiten gekeerd tot een anachronistische parodie van hun vroegere zelf. Deze wilde Euro-punkrockers waren van een nieuw en compleet ander ras… verrezen uit de as van het atoomtijdperk – en immuun voor alles onder de zon.

Die ochtend lukte het Brautigan eindelijk om ergens wat whisky af te troggelen, waar hij Milo stomdronken mee voerde, waardoor Milo de rest van de dag uitgeschakeld was. Om 2 uur ’s middags liep ik de hotelkamer binnen en trof ze allebei buiten westen op de grond aan. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om in mijn eentje Amsterdam te gaan verkennen – maar deze keer wel op fatsoenlijke schoenen.
Deze stad gaf me een heel andere kijk op m’n eigen stad, die immers op een haar na Nieuw Amsterdam had geheten. Ze toonde me al haar stoffige facetten, één voor één, als een zeldzame amethist. Ik had het gevoel dat ik deze plek kende, met al die voorover hellende, op palen gebouwde bakstenen panden en die gestoorde gele trams die me dreigden te overrijden. Overal ontdekte ik Indische eethuisjes en fantastische bonbons, die zo bijzonder waren dat Godiva er bleek bij afstak. Net zoals ik ook had kunnen wennen aan Straßen, dwaalde ik nu heerlijk door de straten en langs grachten. Al struinend kwam ik uiteindelijk bij het Van Gogh Museum terecht. Teleurgesteld omdat De Sterrennacht in New York bleek te zijn, nam ik de trap naar boven en staarde een halfuur gefixeerd naar Stilleven met citroenen op een bord. Met mijn neus op die wervelende, dikke gele verf werd ik teruggevoerd naar het Joegoslavische vrachtschip, herbeleefde ik het stampen en rollen van de nachten die ik doorbracht op het bed van hut #13, met enorme kussens in mijn armen, starend naar een piepkleine reproductie van exact ditzelfde schilderij.

Terug in het drukke gedrang van knarsende trams ging ik op zoek naar de Melkweg. Ten einde raad vroeg ik wat lui in vreemde bruine uniformen om hulp, om er vervolgens achter te komen dat het Hongaarse dichters waren die ook voor het festival kwamen en geen Engels spraken. Ze waren verdwaald, zochten ook de Melkweg, en aangezien ik geen Hongaars sprak, hadden we de grootste lol toen we samen gingen zoeken. We vonden het podium langs een armoedige gracht, omgeven door met spikes betooide hoofden, studs op leer en kettingen van roze en groen chroom.
Binnen zat Richard Brautigan, die nog steeds aan het drinken was. In de drie dagen voorafgaand aan zijn voordracht moest hij zo’n 6 liter whisky hebben gedronken. Ik zag hem tekeergaan en voelde ontroering – iets dergelijks had ik ook voor m’n vader gevoeld. Tegen de tijd dat het zijn beurt was om voor te dragen, had hij zich broodnuchter gezopen, en ik denk dat hij het doodsbenauwd had. Hij betrad het podium voor een gemengd publiek van Europeanen (Nederlanders, Duitsers, Italianen, Fransen, Denen), punkrockers en bohemiens in alle soorten en maten. Hij nam dezelfde houding aan die ik op de dag dat hij aankwam ook van hem had gezien in de ontbijtzaal: terneergeslagen, terminaal triest. Ten slotte begon hij een verhaal te vertellen.

Het ging over een mier, een zwarte mier, die op de begrafenis van een Japanse man op gevaarlijke wijze zijn weg zocht onder de zwarte schoenen van een stoet mensen door. Hij bleef maar doorgaan over die mier, stilletjes en somber, en hoe die mier er steeds ternauwernood aan ontsnapte om te worden verpletterd door de zolen van die schuifelende schoenen. Het publiek luisterde met open mond – je had een veiligheidsspeld in een punkeroor kunnen horen knappen. En toen, na vijf minuten, hield hij zonder enige waarschuwing op.
'WE WANT MORE!' brulde het publiek. Het begon 'BRAU-TI-GAN!' te scanderen, in een bonte mengeling van accenten. Het was verontwaardigd, wilde meer zien, meer horen. Brautigan bood nederig zijn excuses aan. Hij haalde zijn smalle schouders op en zei dat dit alles was. En toen, in wat een soort toegift leek, legde hij uit dat de Japanse man wiens begrafenis de mier had betreden, beledigd zou zijn geweest als hij meer had voorgelezen; dat de Japanners van simpel hielden – kort maar krachtig, als een haiku. Toen liep hij weg.
Dat was de eerste en de laatste keer dat ik Richard Brautigan gezien heb… die vreemde, lieve man, die zo veel ongezien leed met zich meedroeg. Een jaar later werd hij dood aangetroffen in zijn cabin in Livingston, Montana; hij pleegde zelfmoord.

Badend in blauw droomlicht las ik op het podium van de Melkweg een treurdicht voor dat ik opdroeg aan mijn dochter Natasha, die ik lang geleden had verloren. Het was een spontane beslissing, en de intens tropische sfeer van het gedicht, dat ik op mijn zestiende in Mexico had geschreven, bracht iedereen in vervoering, ook mij.
Weer terug in het Jan Luyken zag ik een elegante oudere man met een grijs pak en een hoed op tussen een groep jonge bewonderaars zitten. Hij deed me denken aan een oude, vriendelijke, grijze kater, en ik wilde naar hem toe gaan om hem te aaien. Hij werd echter goed bewaakt, deze waardige katachtige… en voor ik de kans kreeg om hem te leren kennen, werd William Burroughs voorzichtig mee geloodst door een lijfwacht, voor een dutje.

[…]

1. Elmer Fudd is een personage uit de Looney Tunes-tekenfilms van Warner Bros. Hij heeft een jachtgeweer, draagt een hoed en probeert op allerlei manieren om het pijlsnelle konijn Bugs Bunny te pakken te krijgen, maar slaagt daar nooit in, omdat hij nogal onhandig is.
2. Richard Brautigan (1935-1984) was een Amerikaanse dichter en schrijver. Zijn werk was in de jaren zestig populair onder Hippies en verdween daarna naar de achtergrond. Zijn bekendste boeken zijn de romans A Conferederate General from Big Sur (1964), Trout Fishing in America (1967) en In Watermelon Sugar (1968). Brautigan was depressief en alcoholverslaafd en pleegde in 1984 zelfmoord.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog