< HET PERSONAGE
SIMONE ATANGANA BEKONO
Dit is het lastige aan boeken schrijven

Je danst op de voeten van je vader. Hij heeft zijn zondagse schoenen aan. Het ritme gaat van tu-t-t-t-tu-t-t-t-tu-t-t-t-tu. Dit is het oude huis, niet het huis waar je hebt gepuberd, uit het raam rookte, kasten omgooide in hormonale woede. Je herinneringen aan dit huis gaan niet verder dan de woonkeuken: de geur van zon op donkerhout en in komijn gemarineerd kalfsvlees, dat je hier op je vaders voeten danst in een gele tuinbroek. Hij heeft zijn zondagse schoenen aan, jij je sokken.

Jullie dansen op dat ene nummer, je kent de tekst niet (hoe had je die ook kunnen kennen), de stem van die man is hoog en nasaal, een stem die zich tussen vogels voegt, ver reikt als een stofwolk, uitspreidt, iets aanroept, efficiënter en duidelijker dan een oorlogstrommel, in het Fulani, de taal van een groot volk uit West-Afrika. Hij zingt zoiets als wao waye na na feni ma / wao na bo bi ka-aaaa. Je vader heeft je bij je polsen vast zodat je niet over het leer van zijn schoenen uitglijdt, hij zet kleine stapjes van voren naar achteren, je voorhoofd rust je tegen zijn buik.

Je kraait wat, je bent vrolijk. Het is warm hierbinnen en je raakt gehypnotiseerd door een ritme en kijkt op naar je vader en zijn grijns is breed. Met de witte, rechte randen in zijn mond ontbloot als een tevreden leeuwenbek, zingt hij niet met de tekst mee, maar neuriet hij van achterin zijn keel, stapt voor en achteruit. Tu-t-t-tu tu-t-t-tu tu-t-t-tu-t-t-tu-t-t-tu.

Het begint bij Baloji. Hij sampelt Kare Nanhasi van niemand minder dat Hallelujah Chicken Run Band. Ik herhaal Hallelujah Chicken Run Band. Dat spreek je uit zoals hun ritmes HA-LE-LU-JAH CHI-CKEN-RUN-BAND: Tut-t-tut-t-tut-t-tut-t-tut. Een-e, twee-je, een-e, twee-je. En dan zingen ze in het Shona. Geen idee waarover. Mijn pa komt uit Kameroen, Equatoriaal-Afrika. Daar praten ze Frans en Engels, en zo’n 290 andere talen waar niemand iets om geeft, want ze spreken Frans en Engels, want ze waren een tijdje van Portugal. Kameroen is een verbastering van het Portugese woord voor grote garnaal want in de rivieren vonden de Portugesen garnalen groter dan ze ooit hadden gezien. Daar is toen iets gebeurd, Portugal en Kameroen waren geen match. En ze spreken er geen Portugees, ze spreken er Frans of Engels, en 290 andere talen waar niemand het ooit over heeft, bijvoorbeeld het Ewondo, één van de meest gesproken taal in het land, dat is de taal van mijn vader, ik spreek ‘m niet, hier noemen ze zo’n taal systematisch een dialect. Dat dialect is niet Frans of Engels want Kameroen was ooit Duits, er waren dingen aan de hand daar, gevechtje hier, oorlog daar, hierom heet mijn oom Hermann met twee n-en.

Maar ze spreken er Frans of Engels want Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hadden het land verdeeld als voetballende kinderen die stukken gras afbakenden: dit is mijn helft en dat de jouwe, en de bevolking moest die talen ook gaan spreken, ook al spraken ze bij elkaar meer dan 290 andere talen, sommige van die talen hebben het niet overleefd.

Nu is er veel gedoe in Kameroen, mensen en culturen werden samengevoegd, de dekolonisatie bracht economische ongelijkheid. De Engelstaligen willen onafhankelijkheid van de Franstalige regering. De Franstalige regering probeert de Engelstalige opstandelingen uit te roeien. Of zoals zij zeggen “het gevaar te bedwingen”. Maar dat is Kameroen. Dat is dan weer niet Zimbabwe, of zoals het, in de tijd dat Thomas Mapfumo geboren werd, heette: Southern-Rhodesia. Toenmalig Northern-Rhodesia is Zambia nu. De hoofdstad van Zambia is Lusaka, maar dat was eerst Livingstone. Dat is niet Harare, of, zoals het toen heette, Salisbury, waar Thomas Mapfumo geboren werd in een township genaamd Mbare.

Maar iedereen kan dansen op een Shona-ritme, op de ngoma drum, de mbira-duimpiano en iedereen wordt blij van het typische gejodel, tussen de gitaarsolo’s gejast door niemand minder dan De Leeuw Van Zimbabwe, Thomas Mapfumo, die later solo ging, protestplaten maken, liberation songs schrijven in de taal van zijn volk, niet de onderdrukker, chimurenga noemde hij dat, “een kleine vlam” in opstand tegen de witte regering. Hij werd ervoor in de gevangenis gegooid.

En Baloji die hem sampelt in L’hiver indien, dat betekent Indische winter, een variatie op indian summer wat onverwachtse nazomer betekent, zoek de term maar op, en op het album 137 Avenue Kaniama staat dat nummer, “oohoohoohoooo l’hiver indien” zingt hij, een ode aan de hedendaagse vluchteling die aan de radiator gekluisterd zit tijdens de kille Europese winters, de cultuurschok van een gebrek aan continue warmte. Mijn vader, zo’n 35 jaar geleden, stapte in zo’n Europese winter het vliegtuig uit dat hem van Yaoundé naar Parijs had gebracht, en viel prompt flauw van de kou. Thomas Mapfumo zong iets anders, hij zong iets van “oohoohoohooh dji hoena senaaaa” En In het Shona dus. Geen idee waarover, mijn pa komt uit Kameroen, zoals ik zei. Daar spreken ze Frans. Of Engels.

Baloji is Belgisch-Congolees. Hij kent alle nummers van toen, van na de dekolonisatie van Afrikaanse landen, uit de tijd dat radio’s en platenspelers de onafhankelijke muziekwereld binnen lieten. Moet je je even voorstellen: hij speelt met legendes uit de francofone regio, ook die van nu. Hij draagt Ann Demeulemeester en treedt op met een dj en een rumba lingala band, die spelen rumba lingala die band, dat is een muziekstijl die je waarschijnlijk doet denken aan Zuid-Amerika, en die kwam ook uit Zuid-Amerika, maar die kwam daar via de Congolezen. Of nou ja, hij kwam daar via meerdere volkeren maar wat nu een groot deel van de Congolezen is herkende hun ritmes in de Zuid-Amerikaanse songs weer terug.

Dus moet je je even voorstellen: Congolezen, die in het Lingala op de rumba uit Cuba, de dans van de haan en de hen, zongen, een wederkeren van hun eigen erfgoed via de stiekeme voeten van nu alweer honderden jaren geleden gestorven slaven.

Moet je je even voorstellen: mijn pa en ik, we dansen op Franco et le Tout Puissaint Okay Jazz op een ritme dat is wedergekeerd naar het volk van herkomst en toen naar Nederland verscheept in een LP. Tu-t-t-t-tu-t-t-t-tu-t-t-t-tu. Franco stond met zijn band op nationale TV in wijd uitlopende broeken en glimmende blouse. De afros waren rond gekamd, de snorren bijgeknipt, de trommels kwamen hoog, tot aan de heupen. Tegelijkertijd had je anderen. Iedereen had een band met het woord Jazz erin. Dat deed het goed, Jazz. Le Tout Puissant Okay Jazz, Bembeya Jazz National, Le Grand Kallé et l’African Jazz. Alles was jazz, zelfs als ze rumba speelden, salsa vernachelden, de blues incorporeerden, het bleef nog altijd jazz want iedereen was zich vrij aan het dansen van grote, witte koningen, slavendrijvers en legers, de lugubere werkelijkheid van het koloniale regime, die verschrikkelijke waltz.

Mijn vader, die de dekolonisatie als kind meemaakte, danste op Congolese rumba, want mijn vader haatte makossa. Makossa, dat woord ken je waarschijnlijk van Michael Jackson: mamase mamasa ma-makossa. Dat betekent gewoon “Ik wil dansen” in het Douala dat ze onder andere spreken in Kameroen, je weet wel waar mijn pa vandaag komt, maar die kwam niet uit Douala, hoor. Die kwam uit de buurt van Yaoundé, hij was een Ewondo, maar dat doet er nu niet toe.

Manu Dibango heeft Michael herhaaldelijk aangeklaagd voor het stelen van zijn beroemde roep uit ‘Soul Makossa’. Dat nummer kwam uit in 1973. Je weet wel, dat nummer dat Manu legendarisch maakte. Hij trad trouwens later op met grote salsa-artiesten, de mannen en vrouwen van Fania. Hij stond op het podium met de band van Hector en Bobby Valentin. Eerst brabbelt hij in vernacheld Spaans, iets dat eindigt met “Africa”. Dat had niet zoveel effect op de mensen in New York, maar motherfucker dan roept hij “buenas noches todo el mundo” En het gejuich…

Michael stal het en gebruikte het als een geinig randje op een op zijn eigen manier briljant nummer. Maar dat was allemaal oké, mijn pa hield niet van makossa.

Wat ik probeer te zeggen… Wat ik probeer te zeggen is dat ik heb geleerd het ritme te herleiden. Er is een reden waarom de Congolees graag salsa danst, waarom Nigerianen hard gaan op Caribische producers. Dat techno in de clubs in Detroit is ontstaan en nu booming is in Zuid-Afrika, je weet wel, Zuid-Afrika. Met mijn pa riep ik dansend “kwassa kwassa”, mijn moeder huilt op Salif Keita, we houden seances onder begeleiding van een kora, voeren een culturele oorlog op de mbalax van Youssou N’Dour.

Dus Baloji sampelt dat nummer. En ik dansen. Ik herken wat ritmes en ga laag met draaiende heupen. Hij doet me denken aan Stromae, die Cesaria Evora eerde met Ave Cesaria! een nummer dat dan weer de ritmes van de mourna die Cesaria zong incorporeerde: 1 2 3 4 1en2en3 1 2 3 4 1en2en3, daar speel je dan gitaar op, of met een band. Maar dat is Stromae, dat was Cesaria–God hebbe haar rumdronken ziel die nog ronddwaalt door Kaapverdië, die vermoeid Sodade zong met Bonga, de held van het Angolese volk door zijn revolutionaire-nummers in 1974. Ik kan zo nog even doorgaan over die mourna en de semba en de kizomba. Maar ik ga het niet doen.

Het meeste wat ik weet, weet ik via de muziek. Over de mijnwerkers in Guinée-Bissau. De rubberslaven in de wouden van Congo (zeg alsjeblieft nooit ‘De Congo’), dat er zoiets als politiek geëngageerde disco bestaat, de zoete stem van Grace Decca (die moest ik stiekem luisteren, mijn pa hield niet van makossa, dat had ik al gezegd).

Ik weet niet veel, maar er valt teveel te vertellen. Ik gebruik het clichébeeld van het dansen op de schoenen van mijn vader omdat de schoenen van mijn vader van leer waren, glad waren, en met sokken aan glij je daar bijna op uit.

We dansen voorzichtig en we lachen. Ik probeer te balanceren. Ik raak het steeds bijna kwijt. Er zijn teveel talen, nooit genoeg verslagen en er is te weinig tijd.