< HET PERSONAGE
GUSTAAF PEEK
Me-cha-niek

Het samenstel van de delen waardoor een geheel in werking wordt gebracht. De dynamiek van afzonderlijke elementen waardoor een nieuwe, eigen beweging ontstaat. De energie die dit samenstel, deze dynamiek tot leven vonkt, is een andere dan de uitkomst die het mechaniek ten slotte teweeg brengt. Meestal is de uitkomst van deze dynamiek verwacht, voorspeld, gehoopt of gewenst. Soms niet.

Elk mechaniek is een omvormer. Er treedt een transformatie op, niet alleen van energie, maar ook van een wens, een verlangen. Elk mechaniek roept weer nieuwe richtingen op, nieuwe honger naar niet eerder bereikte bevindingen. Want zo gaat een mens om met mogelijkheden, wie eenmaal een begeerte verwezenlijkt ziet, kan niet wachten op de vervulling van de volgende.

Droom en daad hebben elkaar genaderd in het mechanische.

Een mechaniek is altijd echt, en met echt bedoel ik tastbaar, stoffelijk, een mechaniek bestaat uit werkelijke delen, niet uit nullen en enen. Daarom hou ik van elke machine die iets bovenmenselijks wil bereiken, van elk apparaat dat de verbeelding die eraan ten grondslag ligt tevoorschijn trekt. En het meest houd ik van mechanische constructies die zonder elektriciteit of andere artificiële aandrijving hun werk kunnen doen. Zoals horloges en fotocamera’s zonder batterijen, weegschalen met wijzers, fietsen, knijpkatten, piano’s, speeldozen en schrijfmachines. Wat hebben we al veel verzonnen, tot werkelijkheid gemaakt. Wat hebben we ook alweer veel achter ons gelaten. Wat zijn we weinig attent.

Zo veel handelingen die steeds maar weer tussenstations blijken hebben ons hier gebracht: we slaan er geen acht op. Wat we nu dragen, wat we hebben gegeten; waarmee we elkaar bekijken en bereiken; waarmee we ons vervoeren of vermaken; waarmee we ons warm houden of wakker krijgen; alle tandwielen, drijfriemen, zuigers, lagers, pompen, springveren, printplaten, alle onderdelen wier acties om onze behoeften draaien: we schenken er geen aandacht aan.

En dat is niet alleen onachtzaam, maar ook nog eens riskant.

Wie de baas is over het mechaniek is de baas over zichzelf. Iedereen kan iets in beweging brengen, de machine activeren, maar alleen de ontvanger van alle profijt bepaalt het moment en de duur van de hand aan de knop.

Hé, dat is raar. Hoe kan dat? Machines komen niet uit zichzelf tot leven. Iemand moet het binnenwerk inrichten en smeden; iemand moet de tijd en energie voor al die bedrijvige veranderingen leveren. Waarom dan zijn de bouwers en bedenkers van alle ontstane meerwaarde uitgesloten? Waarom slokt het mechaniek hun handelingen en geofferde uren op om de bedachte beloning uiteindelijk aan een eenzame buitenstaander toe te wijzen?

Ar-bei-der.

Een woord dat ooit een houdbaarheidsdatum heeft gekregen, want de arbeider bestaat zogenaamd niet meer. De arbeider zal zich niet meer in onze kleren vertonen, noch zal hij onze gerechten of  omgangsvormen kennen; van deze nostalgische figuur zijn geen kleurenfoto’s, geen online profielen: hij is achtergebleven in een andere, oude wereld waar hij zwijgend en zwoegend zijn andere, oude werk verricht.

“Arbeider” is geen menselijke aanduiding. Het zegt niets over iemands aard, afkomst of levensvisie. “Arbeider” is ook geen soortnaam, een helder te onderscheiden subcategorie mens, met eigen manieren, uiterlijkheden en gedragingen. “Arbeider” zegt ook niets over te verrichten werkzaamheden, geen beroep kan namelijk aan de term ontsnappen, zo kleverig en overweldigend als hij is. “Arbeider” is wat we onszelf nooit kunnen noemen, maar wel moeten dulden wanneer we ermee worden verzwaard. Dat is het fatale. Het woord is niet aan ons.

Arbeiders bestaan niet. We worden tot arbeider gemaakt.

Zelfs het mechaniek lijdt hieronder. Zelfs wat niet kan klagen, zucht onder steeds goedkopere, roekelozere onderdelen, waarschijnlijk wist het ding lang voor zijn maker dat diens energie vrij van beloning zou blijven, dat hij bovendien de grip op het ding zou kwijtraken aan steeds onzichtbaardere slachtoffers. Waarschijnlijk had het ding al lang begrepen wie de baas is.

Hier, in deze fabriek, heb ik een baas zien rondlopen. Hij at op de plek waar zijn arbeiders eten, hij kende hun namen, sprak hun taal. Ik had hem herkend omdat foto’s van hem in de nette kamer hingen, de ruimte waar ik ook mocht komen.

Maar aanwezigheid is niet hetzelfde als eigendom. Ik had een mens ontmoet, zijn hand geschud, hem voor de baas aangezien, maar waar de macht over al deze machines en haar dienende mensen feitelijk huist, heb ik niet kunnen ontdekken. Wie weet waar hij zijn geld en schulden en dus zijn fabriek bewaart, waar in de financiële stratosfeer het lot over alle handen aan de lopende band zweeft.

Daar verblijven ze, onze bazen, onstoffelijk, etherisch, volledig vrij en ongebonden. Na jarenlang wetten te hebben geleverd, konden ze de ankers van hun eigendommen binnenhalen en aan een oneindige reis beginnen. Hoe ongrijpbaarder hun bestaan, hoe dieper wij in de modder van onze onmacht blijven steken. Zelfs al doden we de baas, nog zullen de nullen en enen van zijn bezit en de onafhankelijke kracht ervan blijven voortleven.

Wanneer hebben we dat eerder meegemaakt? De tijd waarin de macht over alle mensen zogenaamd boven ons zweefde en tot uitvoer werd gebracht door ongekozen heersers. De tijd van kerk en koningskleed, van Inquisitie en IJzeren Maagd.

Geloof heeft weinig met verbeelding te maken. Het koerst altijd aan op afgedwongen gezag, op het bezit van onze dromen en zintuigen. Constant wil het de ruimte en vrijheid beperken van onze reële en natuurlijke vermogens. Ons vermogen om onverklaarbaar lief te hebben, om een verhaal te verzinnen of een lied, om ijzer in een berg te zien en een dier in een wolk, om de pijn van een ander te voelen, om samen te staan, om eerst kind te zijn en daarna ouder, om plezier net als lucht, water, voedsel en vrede tot ons te nemen.

Al het politieke en economische wapengekletter moet verhullen dat de macht van mens over mens niet werkelijk bestaat. Hiërarchie is altijd een fabeltje geweest, een spookverhaal overgedragen door generaties van bittere en bange ouders.

Machines zijn nog levenlozer dan onze nagels en haren. Wij daarentegen bestaan uit pure energie, niets beweegt zonder ons. Onze levens zijn geen lopendebandwerk voor een bekrompen patriciaat van profiteurs.

Wij zijn de makers, de bouwers en de bedenkers, onze namen zijn aan ons. Wij zijn de vonk en de vlam.