< HET PERSONAGE
P. F. THOMÉSE
In het echt ben ik een personage

Om te beginnen moet ik bekennen dat ik zelf soms als personage opduik. Dat doe ik in eigen en een enkele keer zelfs in andermans werk. Ik doel hier niet op de kinderlijke betrekkingswaan die iedere lezer gekend heeft en soms nog kent, door te geloven dat elk boek over hem c.q. haar gaat. Zoals ik als onrijp voetballertje in gedachte Willem van Hanegem was of Piet Keizer, zo was ik als lezer D´Artagnan, Old Shatterhand, maar ook de ´ik´ van Nescio, en nu ik erover nadenk, was ik de ´ik´ van alle schrijvers die ik goed vond. Als lezer ben ik een kannibaal: ik eet personages, vertellers, schrijvers en versterk mijzelf met hun krachten. Maar daar gaat het me nu even niet om. Waar ik het over wil hebben, is dat ik met naam en toenaam opduik in echte, literaire romans. 

Zo loopt er in mijn drie J. Kessels-romans een P.F. Thomése rond die meer op mij lijkt dan goed voor mij is en die mij, als hij de kans krijgt, flink voor schut zet met zijn onbetrouwbare, oneerlijke en meestal ronduit racistische, seksistische en klimaatonvriendelijke optreden. Van wie hij dat allemaal heeft, weet ik niet. Van mij in elk geval niet.

Het vervelende van zo’n personage is dat hij totaal niet geïnteresseerd is in wat ik wil. Zin na zin trekt hij zich van mij als persoon geen bal aan. Wat ik ervan vind, zal hem worst wezen. Hij gaat onverstoorbaar zijn eigen gang. Zo ligt dit personage bij voorbeeld, ik zeg het maar eerlijk, op ronduit walgelijke wijze bladzijden lang de in mijn ogen nogal passieve pornoheld uit te hangen in het bed van twee overjarige beauties, wat ik persoonlijk nooit zou doen, in ieder geval nooit gedaan heb, en zeker niet als mijn vrouw het kan lezen. Als drie ontkenningen niet genoeg zijn, dan weet ik het ook niet meer. Deze Thomése verraadt bovendien ook nog eens, gewoon onder mijn naam, mijn bloedeigen naam, nog voordat de haan des ochtends driemaal gekraaid heeft zijn beste vriend J. Kessels, wat ik zelf evenmin zou doen, al was het omdat ik mijn beste vriend en favoriete personage hard nodig heb om mijn verhaal, dat eigenlijk het zijne is, te kunnen vertellen. Deze J. Kessels, die echt bestaat, net zoals ikzelf overigens, verwarde mij, de echte persoon, met het gelijknamige romanpersonage en verbrak – in het echt - tot mijn grote verdriet de vriendschap, precies zoals ik het vervolgens in Ik, J. Kessels beschreven heb, waaruit blijkt dat ik steeds eerlijk naar de natuur werk - Natura Artis Magistra, zoals de dierentuin ons als kind reeds heeft geleerd. Echter kan een schrijver zich niet tonen, hoe onecht het mogelijk ook overkomt. 

En alsof de verwarring al niet groot genoeg is, werd er ook nog eens een J. Kessels-roman verfilmd, te weten J. Kessels: The Novel, met in de hoofdrollen J. Kessels en, daar heb je hem weer, P.F. Thomése.  Voor mij was meteen duidelijk dat ik het niet zelf kon zijn, daar ik werd gespeeld door de bekende acteur Fedja van Huêt. J. Kessels had eveneens het vermoeden dat hij het niet zelf was, aangezien hij werd gespeeld door Frank Lammers. Toch – of moet ik zeggen: juist daarom - pikte hij het niet, met als argument dat ‘die plofkip van de Jumbo’ nergens op leek, niet op hem in elk geval. Ik zei hem dat ik er niks aan kon doen. Het was niet mijn film, ook al was het scenario, inclusief de namen van de twee hoofdpersonages, gebaseerd op J. Kessels: The Novel. Ik moet zeggen dat ook ik vond dat Frank Lammers niet op J. Kessels leek. Aan de andere kant was de gelijkenis tussen mij en het door Fedja van Huêt vertolkte personage frappant. Het was bijwijlen alsof ik naar mezelf zat te kijken, al zou ik bepaalde dingen die P.F.Thomése in de gedaante van Fedja van Huêt deed, zelf nooit doen, evenmin als Fedja zelf, die in het echt heel anders is, heb ik gemerkt.

Ik geloof dat Fedja van Huêt op het Filmfestival van Slovenië nog een prijs heeft gewonnen voor zijn rol als ‘P.F. Thomése’, wat ik nogal opmerkelijk vind, aangezien ik nooit in Slovenië ben geweest en geen van mijn J. Kessels-romans noch enig ander werk van mijn hand ooit in het Sloveens is vertaald. Wie ik echt was, deed er voor de Slovenen niet toe. Ik moest denken aan Elvis, die, reeds in verval, voor de grap meedeed aan een Elvis Presley Lookalike Contest en daar als derde eindigde. Als je eenmaal een personage bent, doe je er zelf niet meer toe. Dan kan het personage het prima zonder jou af.

Soms droom ik ervan dat ik Fedja van Huêt in vaste dienst heb genomen en ik hem eropuit kan sturen als ik zelf liever thuis blijf mijmeren over hoe het was en hoe het zou en hoe het misschien gaat worden. Ik heb zelf altijd de mogelijkheden verkozen boven de feiten. De mogelijkheden maken het leven leefbaar. In de klassieke grammatica heet deze wijze, deze modus, de coniunctivus. In die term zit de betekenis ‘verbinden’. Verbinding zoeken met het nog niet gerealiseerde, met wat nog aan zijn feitelijke bestaan moet beginnen, dat is voor mij het begin van het schrijfverlangen. Het ontdekken van nog ongeschreven werelden, dat is wat ik wil.

Zodra je zelf een personage bent geworden, ligt je wereld vast. Daarom laat ik het personage P.F. Thomése liever aan Fedja van Huêt over. Hij zou, tussen haakjes, deze lezing ook veel beter over het voetlicht kunnen brengen dan ik nu doe. Zolang je schrijft, tast je in het duister, je staat elk moment weer aan de afgrond van het niets, de blanco oneindigheid die je nooit zult overbruggen, maar altijd voor je uit blijft schuiven.  De gevreesde witte bladzijde. Je plaatst telkens net op tijd weer een zin tussen jou en dat hopeloze niets. Doorschrijven, anders val je in je zelf gegraven, zichzelf voortdurend opnieuw openende afgrond, waar vele schrijvers spoorloos in verdwenen zijn. Iemand die voorleest, weet echter precies tot waar hij kan gaan, moet gaan, want het pad dat hij dient af te lopen, staat keurig voor hem uitgeschreven.

De hang naar het onaffe, de noodzaak van het onvoorspelbare is in de loop van mijn schrijfbestaan een steeds voornamere rol gaan spelen. Ik denk dat dit komt doordat het leven zichzelf schrijft. Of men wil of niet, men trekt, gelijk een haas in de sneeuw, een spoor door de tijd. Dit spoor noemt men gewoonlijk: mijn leven. Hoe tijdelijk het ook is, hoezeer de tijd ook wegsmelt onder onze voeten, veranderen kunnen we dit spoor niet meer. Tenzij – en hier volgt een coniunctivus – we de voorbije mogelijkheden niet langer als onmogelijkheden gaan zien. Dat is een kwestie van perspectief. Een personage zit vast in zijn verhaal, hij is, anders dan een schrijver, niet in staat om van perspectief te wisselen. Er zijn pogingen gedaan, ik weet het, ik denk aan Orlando van Virginia Woolf  of aan Zelig van Woody Allen, maar een personage is uiteindelijk gedoemd zichzelf te blijven, hoe weinig hij in eigen ogen ook met zichzelf gemeen heeft. Een schrijver echter bezit die mogelijkheid om aan zichzelf te ontsnappen wél. Te ontkomen aan dat ene perspectief, waardoor alles steeds hetzelfde lijkt. Net als God is een schrijver in staat om zich oneindig klein te maken en zich, zoals God achter Jezus, te verbergen achter zijn verteller en zijn personages, zelfs of juist als die verteller en die personages zijn eigen naam dragen. Niemand weet dat ik Repelsteeltje heet. Door zelf niet te bestaan, niet in de weg te lopen, laat hij de mogelijkheden bestaan.

Het niet-gerealiseerde leven is voor mij als schrijver het ware leven. In het licht van de mogelijkheden stellen de feiten weinig voor. Toen ik met schrijven begon, verkeerde ik in de intimiderende veronderstelling dat de wereld af was en ik er niet meer in paste. Ik moest mogelijkheden verzinnen om er nog bij te kunnen, bij de wereld die buiten mij om al voltooid was. Iemand zijn. Ik zocht iemand om te kunnen zijn. Ik wilde een personage worden, mezelf een rol toedichten. Als er geen plaats voor mij was, dan moest ik maar doen alsof er plaats voor me was. Iedereen die wel eens een rol heeft gespeeld, weet wat ik bedoel. Zodra je een masker opzet - persona in het Latijn – ben je vrij. Je bent een ander geworden, iemand voor wie je niet aansprakelijk bent. Boeken, films, muziek: alles en iedereen kon me erbij helpen me van me zelf te verlossen en vrij te worden. 

Ik werd, om kort te gaan, een poseur en een praatjesmaker. Iemand die zich voordeed als iemand anders. Ik probeerde te roken als in een Franse film, te kijken als W.F. Hermans. Mijn jasjes keek ik af van platenhoezen. Ik ging zelfs bokslessen nemen. Met de Greyhound in m’n eentje dwars door Amerika en Mexico, enkel omdat ik tot tranen geroerd  On The Road had gelezen, en vervolgens op godverlaten hotelkamers met brandgaten in de sprei heerlijk ongelukkig kon liggen wezen.

Clichés die nog acceptabel zijn zolang je er jong genoeg voor bent.

Het waren stuk voor stuk mogelijkheden, die ik uitprobeerde. En nog steeds probeer ik het leven uit, overigens steeds minder op straat en meer en meer op papier, als niemand mij ziet.

Die mogelijkheden die het leven biedt en blijft bieden, die mogelijke levens noem je personages. Je kunt ze verachten, van ze houden, je kunt ze benijden of verwerpen, maar altijd zal ik in hen iets herkennen, iets vrezen, iets begeren.

Mijn personages staan als boeken om mij heen. Ze vormen met elkaar een tamelijk willekeurige menigte waarin ik verdwijn, want zodra ik ‘ik’ schrijf, ben ik het niet meer. Dan is hij - die ‘ik’ waar ik het over had - het zelf. Ik ben het niet, in elk geval. 

Als een haas in de sneeuw maak ik me uit de voeten. Maar niet nadat ik u in het voorbijgaan beleefd heb gegroet, want als men een rol speelt moet men het ook goed doen.