< HET PERSONAGE
ROOS VAN RIJSWIJK
De dwaler

Je zoekt tussen alle kleuren van een sleetse regenboog de blauwe lijn op de vloer, zoals de receptionist je zonder op te kijken van zijn scherm opdraagt. Onder zijn overhemd ritselen zijn veren. Hij wordt moe van je, dat zie je zo, en vind je ’t gek: die man ziet de hele dag mensen die denken dat niemand het ooit zo zwaar had als zij. Mensen met hun ruggen te recht, vol krachtige lijdzaamheid, mensen die niet vragen waar de afdeling waar ze naartoe moeten ligt maar die zeggen: het hart van mijn dochter, het bloed van mijn man, de longen van mijn broer. Jij noemde alleen het kamernummer en moest het luider herhalen, tot tweemaal toe, het leek of je de naam van je vader door de hal brulde.

Die blauwe lijn zou niet blauw moeten zijn. Zwart als de rand van een rouwadvertentie, of zoiets, gewoon om er niet omheen te draaien. Of roze, de kleur van een babytong, als herinnering aan het feit dat er naast eindigheid ook groei bestaat. Boomknoppengroen, kuikengeel. Een drempel in plaats van een lijn, bedekt met het grijze linoleum dat ook de rest van de vloer bedekt, zodat iedereen erover struikelt en denkt: moet dat nou? Een geul gevuld met soep of koffie, voor als je onderweg wat slagkracht nodig hebt. Nog beter zou het zijn als er in plaats van een IKEA-kleurige strook gewoon iemand klaarstond die je gidste.

Eerst buigt geel af, een gang vol kindertekeningen in. Dan rood, en met het rood buigt een gezin mee dat volhangt met bloemen en ballonnen, gevolgd door een Gregoriaans mannenkoor dat het Kyrie zingt. Oranje, paars.

Je vader zegt in je oor: je kan toch ook zonder die infantiele lijntjes wel rechtdoor lopen?

Als je opkijkt zie je hem – gladder, slanker, jonger – naast je staan, maar je bent het zelf in de weerspiegeling van een glimmend opgepoetste pilaar. Jij lijkt niet op mij, zegt pa altijd, jij bent helemaal je moeder. De figuur in de pilaar trekt de neus als een ritssluiting over de schedel en je wendt je blik af, je loopt door met je hand om je eigen neus en je andere hand op je achterhoofd en je voeten zijn nat, je sokken soppen in de schoenen waar pa van zou zeggen dat ze gemaakt zijn voor mensen die zitten, hij is geen man die zit, hij is een man die zeilen hijst en heeft een tuin vol autobanden, groenten en van restmetaal gelaste monsterdraken, jij kon als kind al niet naar die beesten kijken omdat je ze herkende uit je eigen kop.

Je voeten zijn dus nat en langs je enkels slippen de voorntjes* die hij thuisbracht om te eten, eerst één, de week erop omdat je moeder er zo blij mee was wel drie, toen vijf, vijftien, twintig, het werden er steeds meer en je vader lachte steeds triomfantelijker. Liefde! Schreeuwde hij, ik vang de liefde! Tot je moeder toegaf dat ze ongeschikt was voor wat hij de liefde noemde. Wie niet, denk je, en je bukt en vangt een voorn om aan de arts te geven die je terugwijst naar de blauwe lijn. Ze knikt vriendelijk, neemt de vis in haar gele snavel.

Ooit besloot je dat draken vogels waren.

Ooit zei je tegen een lief dat haar poten de mooiste, haar nest zo warm.

Ooit tegen een lief dat zijn roep het zuiverst en zijn veren zo zacht.

Ooit je moeder die zei blijf hier, blijf kijken hoe ik handen heb en huid en mensenhaar, hoe voeten de vloer raken, je bent ons allebei nietwaar, waarom zou je in hem verdwijnen.

Je volgt de lijn langs een rij soldaten, de grootste draait zich om en bukt. Op zijn rug schrijf je aan je moeder dat je haar begrijpt. Ze zal de soldaat op haar keukentafel leggen om het bericht te lezen. Daar kom je vandaan: een houten keukentafel op een schone tegelvloer, een koelkast vol groenten en sap. Je volgt de lijn naar de liften, die bij het openen en sluiten gapen als luie katers, zoals Poessolini van je pa wanneer ze de vrouwen nakijkt die zijn huis verlaten, ze vallen over kommentorens en krantenstapels, moeten hun sokken uit een asbak halen. Wij zijn de liefde, roept je vader.

Samen met een bed stijg je op in een gaap. Sluimert een vrouw met uitgevallen veren, een verpleger fluit een langzaam lied. Je krijgt zin om te slapen. Het is ook al laat. Als de lift weer opengaat een hemelhal vol constellaties.

Dat is het noorden, kon hij zeggen, dat zie je aan de- … en dan noemde hij een ster of maan. Onder jullie eerst een boot en dan de zee, waaronder volgens pa de hel moest branden zoals je borst dat doet bij woede.

En je volgt het blauw naar wat het noorden ook mag wezen. Niet branden nu, nooit branden zoals zijn borst die hem z’n armen liet heffen als een kurkentrekker en weer neer liet komen op alles wat kon scheuren. Er was een tijd dat hij zich schaamde voor jouw naden, en je voelt je momenteel wat rafelig. De lijn is weg. Weer dat water.

Dus waad je. Dus waad je, op goed geluk richting de felste ster die piept en knippert aan het zwerk. Je zwaait lukraak deuren open, bekijkt vooral de mannen in hun bedden ingespannen, je weet niet zeker of je je vader nog herkent; de afgelopen jaren zocht je, door je wimpers, zijn naam alleen zwart omrand in kranten. Achter de deuren draden in armen. Draden in neuzen. Draden onder dekens vandaan, mannen die blijven slapen als je praat. Geklap van waakveren, gewiek van beddenwielen, je moet niet zomaar binnenlopen.

Je vraagt: waar is die kamer? Je roept nog steeds het nummer van je vader.

Een assistent stampt met zijn vliezen regenwormen uit de grond. Je ziet toch wel, snerpt hij, dat je hier niet had mogen komen!

  Vol schubben draait iets zich in een laken. Hij moet hier ergens zijn, er zwemmen draken door de sluizen.

Zo moe, je bent zo moe dat je alleen nog maar zou willen drijven, alles komt eens uit bij zee, nietwaar, kun je ooit voor altijd blijven zinken? Je zit graag in iets rijdends om alles voorbij te laten vallen terwijl jij je toch nog nuttig maakt met reizen.

Waar ga je heen, vraagt een dokter met zijn vleugels om je wangen.

Naar de bodem, zeg je, de volgende halte, zeg je, van de lijn die naar een kamer wijst.

Met zijn albatrossenklauw steekt hij de bedding lek; als dikke olie vloeit de waterweg, het water weg, en jij, met mussen aan de zomen van je broek, de bolle borst van een duif in je rug die je moet rechten, je moet hem rechten: dat werd in koor geroepen door je ouders. Je moet je kruin naar de hemel richten om vooruit te komen. Dus de borst van een duif in je rug en mussen aan je zomen en de lijn onder de neuzen van je schoenen, blauw! Als de wimpers van je kleuterjuf! Als een spijkerbroek van het verkeerde merk! Als een kat die eigenlijk grijs is en de hondentong eerder paars, als de bruingeroeste draken van je vader en zijn ogen in het juiste licht! Dat is zeelicht, strandlicht, eilandlicht, dat is zo licht dat het onwaar lijkt, een wegwaaibare zomer die jaren duurde, ver voor het roesten, ver voor de voornen, ver voor, ver voor.

Je kijkt naar waar het einde is, je ziet een deur en maant een duif tot rust. Op rubberklompen benen mussen terug.

Hij staat te praten, je vader, in een taal die iedereen verstaat. Achter hem ligt hijzelf te slapen, een rust die iedereen herkent van een ander, eerder; zo sterk lijkt hij op alle anderen, dat ze tevoorschijn zijn gekomen en als paddenstoelen om zijn laken wachten. Hij spreekt een taal die hij al lang was kwijtgeraakt. Het zand is zomergeel tussen zijn tenen. Zijn gebaren verraden een goed verhaal, zoals hij ze kon vertellen voor hij draken kweekte, liefde ving, de rug van een dictator aaide. Hij heeft het tegen jou, hij zegt: je kunt voor altijd blijven. Je hoeft er alleen nog te gaan staan, met je voeten in de zomer, je rug naar het schoongelapte raam waarachter een stadsrand lijnblauw in een nacht verdwijnt. Je hoeft nooit meer om te kijken naar waar niemand in vogels gelooft, hij zegt: we rollen ons op in een autoband en luisteren naar hoe mijn zeilen bollen.

Maar de soldaat op tafel

maar het Kyrie uit mannenkelen

maar de mooie poten warme nesten.

Je fluit je laagste groet, herhaalt die voor de reigers in de bedden langs de muren van de kamer. Terug de lijn af tot de kleuren samenkraken. Voor je door de glazen deuren gaat, de straat weer op vol mensenbenen, hondenpoten, wens je de baliespreeuw het allerbeste. Weer vraagt hij je jezelf te herhalen. Je spreekt een taal die niemand meer verstaat.