< HET PERSONAGE
JAN VAN AKEN
Mesquite

Dagelijks richt ik mijn wens tot het universum: geef me een woestijn van zand en stenen, met hooguit wat plukjes spaarzaam gras of een taaie doornstruik; geef me land als een onbeschreven blad. 

En nu krijg ik het zomaar in de schoot geworpen.

Hoe kom ik hier? Is het New Mexico of Texas, deze vermoeide, kaalgegraasde vlakte waarvan de koeien al lang geleden tot fastfood zijn verwerkt? Hier en daar weigert het gras de strijd op te geven, maar zand overheerst. In de verte een kale boom en aan de horizon, nauwelijks zichtbaar, een rij blauwe heuvels; een droge beekbedding vlakbij. Bij dit land denkt het geestesoor wat verbaasde slides van Ry Cooder te horen; en rolgrassen tuimelen traag voorbij in de stofwolken van een innerlijke weg.

Dit is echt. Een leeg en uitgeput land, een palimpsest dat zich wellustig aanbiedt. 

Geef mij land, veel land. Geef me een land, bezet door de dood, een land dat smeekt om een invasie van leven. Hier, waar het zand stuift, sist en blaft; waar het zich uitlegt in richels en innig samenlepelt in parallelle slangenkronkels, O traagstromende vingerafdrukken van de godin Chaos. 

Invasieve soorten? Daar lach ik om; ooit was mijn beste vriend er zo een.

Het huis waar ik als kind woonde, stond aan de rand van een onweerstaanbare wildernis en zodra ik groot genoeg was om me over het tuinmuurtje te hijsen, ging ik op onderzoek. Bleef ik aanvankelijk nog in de buurt, in de loop van weken verkende ik de omgeving in steeds wijder cirkels en ik nam de hond mee als bescherming tegen onbekende gruwelen. Erger dan school kon het niet zijn. 

De hoge cactuszuilen, brede bladcactussen en overal aanwezige bringamosa met gruwelijke brandharen deerden me niet, mijn voetzolen waren al hard en leerachtig van jaren spelen op zand en stenen; en ook hier gaven zand en stenen aan waar ik mijn voeten kon zetten.

Ik volgde de geitenpaadjes en toen ik eenmaal de directe omgeving had leren kennen, ontdekte ik verderop een eiland van groen dat oprees uit het dorre land, hoger nog dan de zuilcactussen, die de snelvlietende wolken met vingers nawezen.

Ik leerde snel de obstakels te vermijden: een dood schaap, niet meer dan een platte zak vuile wol en botten, maar met een stank waar zelfs de hond voor terugdeinsde; de zwaartekracht tartende bladcactussen die op een dag zouden omvallen – en waarom niet juist vandaag? Misschien was het honderd meter van huis, maar na weken van ontdekkingstochten bereikte ik het groene bolwerk. Als ik er half omheen trok, kon ik zelfs ons huis niet meer zien. Ik begreep dat het ondoordringbare bos een boom als kern  moest hebben, met een breed uitwaaierend takkenstelsel en een kroon die woelde en ruiste in de wind. En al zag ik van buitenaf vooral wildernis, ik voelde een onweerstaanbaar verlangen om die boom te beklimmen.

Ik raak per ongeluk een toets aan en Geoguessr teleporteert me naar elders. Oceaan, bounty eiland, grote catamaran. Ik wil terug naar mijn woestijn, maar ik heb de coördinaten niet meer. Computer uit en ogen dicht; dan liever de herinnering en verbeelding.   

Deze boom was anders dan de waaibomen die met hun rug naar de constante eilandpassaat stonden. Ik onderzocht het vlechtwerk van cactussen en doornstruiken, die zich verstrengelden met de ragfijne veervormige blaadjes van het neerhangende loof. Zaten er geen beesten verscholen in het diepe binnenste? Doorkijkjes onthulden niets dan schaduwen en vage vormen. En hoe kon er zo’n ondoordringbare haag rond die boom groeien?    

Het was de hond die een doorgang vond. Opeens was hij verdwenen, er kwam een kef uit de binnenste duisternis. Nu zag ik een nauwe tunnel in de wirwar. Ik verzamelde moed, liet me toen zakken. Na een paar meter voorzichtig op handen en voeten, kwam ik overeind in een schemerige ruimte, die groot was als een circustent. Het was er vreemd koel. Kippenvel op mijn armen; ik liet mijn ogen wennen en liep naar de hond, die bij de stam op me wachtte. Verspringende zonnenaalden prikten door de koepel en stierven snelle doden. De stam vormde op twee meter hoogte een paar opwaartsstrevende takken, maakte, nog steeds als hoofdstam een knik, om meters horizontaal te lopen als een loopbrug naar de volgende vertakking. Pas daar schoot hij zelf de hoogte in.

De hond, die mijn opwinding moest voelen, sprong wild blaffend tegen me aan. “Koest,” zei ik, ademloos. En toen begon ik mijn eerste beklimming. 

Een woestijn in New Mexico. ‘Ideaal om een motorhome neer te zetten en te genieten van de stilte.’ lees ik bij een landmakelaar in New Mexico. Honderd hectare nutteloos land koop je daar voor dertigduizend dollar. Hoe lang nog ontlenen planten en dieren hun bestaansrecht aan hun bruikbaarheid? Ik weet wat ik met mijn woestijn ga doen.

Geef me een onbeschreven landschap en ik begin een invasie.

Hoe oud was mijn boom van toen? Honderdvijftig jaar, minstens. Ik bouwde jarenlang aan een boomhut in de grote vertakking en ik beklom alle takken die mijn gewicht konden dragen. Ik maakte een hoge uitkijkpost, waar ik elke dag zat te lezen en me liet wiegen door de wind. Mijn hoofd kwam net boven het bladerdak en als ik opkeek, zag ik in de verte de zee glinsteren. Ik nam de jagende wolkenschepen en hun snelle veranderingen tot leidraad voor mijn verbeelding.

Binnen, in de schemer van het bladerdak groeide niets; mijn boom had een eeuw lang peulen en bladeren in het rond gestrooid, en voorzag de grond in een wijde kring van voeding, waarop de natuurlijke, bijna ondoordringbare haag van doornstruiken en cactussen kon woekeren. Zelfs de halfverwilderde geiten kwamen er niet meer bij. Nu was het een oase in kaalgevreten land, een onneembaar groen fort voor wie de geheime weg niet kende.

Ik camoufleerde de toegang tot mijn sanctuarium, maar evengoed – let op, hier komt de cliffhanger voor een toekomstige roman – evengoed zat er op een kwade dag, in het vijfde jaar na mijn vondst, een duistere, onbekende me op te wachten tegen de stam van mijn boom.   

Maar daar gaat het nu niet over.

Mijn boom, de quihiboom, ook bekend als mesquite, of prosopis juliflora, is in veel landen ingezet om kale hellingen en vlakten te herbebossen. Extreem taai, hitte- en droogtebestendig als deze plant is, wordt ze in gebieden met herders en extensieve veeteelt bestreden omdat ze graslanden overnemen.

Hier, in mijn Amerikaanse wildernis, zijn herders en vee sinds lang verdwenen.

Geef mij een woestijn, en ik zet hem vol met zulke bomen en struiken. Ik laat mijn mesquite immense bladerkronen ontwikkelen die schaduw en voeding bieden aan duizend andere planten en bomen, totdat de woestijnen veranderen in bossen, die water vasthouden, die verdroogde rivierlopen doen herleven, vogels en insekten aantrekken; die zich verstrengelen in ondergrondse netwerken om met elkaar te spreken, om elkaar te waarschuwen en om voedingsstoffen uit te wisselen.

Geef me duizend jaar en als dat me niet gegeven is, plant dan een mesquite of eucalyptus op mijn ontbindend karkas. 

Geef me nageslacht, onbesmet door consumptiewaan, dat, liever dan succes na te jagen, een hangmat tussen mijn takken hangt, om het nietsdoen tot in de verste uithoeken te onderzoeken. Laat ze leven in mijn takken, laat ze rotten onder mijn wortels. Laat veertig generaties steeds hoger hutten bouwen in het levende huis van mijn verhoute cellen en zenuwen. Geef ons een mycellium, complexer dan ons brein, dan alle breinen en hun onderlinge relaties, dan een quantum-internet of quantum-things; complexer dan alles in het universum.

Laat woekeren wat woekeren wil!