< HET PERSONAGE
IDUNA PAALMAN
Naar het sloopstrand

bij de video 'What the Lighthouses taught me' (2016) van Samson Young

Dit is de olietanker ZIM Quingdao op weg naar het sloopstrand.

De ZIM Quingdao is 260,62 meter lang, 32,29 meter breed, gebouwd in 1998. Zijn draagvermogen, dat wil zeggen: de som van de gewichten van lading, brandstof, ballastwater, drinkwater en provisie aan boord, is 50.689 ton.

De precieze hoogte valt niet vast te stellen, maar als de kranen zichzelf strekken kun je van een flatgebouw spreken, zo hoog. Ook het volume is lastig te bepalen. Je berekent dat met een formule die zowel onderdeks als bovendeks ruimtes meet, maar je kunt de verkregen grootheid uiteindelijk niet in tonnen en ook niet in kubieke meters uitdrukken. Het scheepsvolume noemen we ‘tonnage’, maar deze grootheid is zo onbestemd en onpeilbaar als de golven waarop we varen. Een grootheid zonder benoemde eenheid moet eenzaam zijn als de zee zelf.

We varen voor de kust van Zuid-Korea. Daar levert dit oude schip als het niet meer vaart nog flink geld op. Haast nergens krijg je zo’n hoge prijs voor je wrak als hier. Is de schrootwaarde hoger dan de kosten voor het in de vaart houden? Dan hoef je echt niet lang na te denken. Zoom met Google Earth maar eens in op de stranden en zie: rijen schepen, vast gevaren in het zand dat noch land noch zee heet. Hier liggen niet alleen olietankers, ook containerschepen, bulkvrachtschepen, bevoorradingsschepen, schepen voor autotransport. Een enkel cruiseschip, ontmanteld als een frauderende olietopman, op zijn kant gekwakt, verlaten.

En je zou het niet verwachten, maar dit is een liefdesverhaal.

Ik weet het, de koude wind blaast dreigend tegen onze waterdichte jassen met nautisch embleem, de golven duwen tegen het onaangedane staal, het is oneerlijk handje drukken, kinderen die het van de volwassenen verliezen, het verlies dat de zee elke dag neemt. De borrelende wraak die zich vast ergens op de bodem klaar kookt, ik weet het, die dreiging bubbelt zich een weg naar boven, laat zich soms zien als onstuimig schuim,

en toch is dit een liefdesverhaal.

Op het sloopstrand werkt een vrouw die leeft van turbines en cilinders. Dit schip moet naar haar toe.

Haar man stierf op de werf. Nog maar vijf maanden geleden viel hij van een schip, een schuivende stalen plaat viel achter hem aan, verbrijzelde zijn ruggengraat, hij bleef liggen. Ze hebben hem met metaal verzwaard en naar zee gebracht. Hij had een handel in turbines en cilinders, maar stond niet geregistreerd als arbeidskracht. Dan is het overlijden melden een duur en gevaarlijk grapje. Er doken direct twintig mannen op zijn turbines en cilinders, op zijn lichaam dook eerst zijn vrouw, toen de zee.

Dat ik één van die twintig mannen was zal ik niet ontkennen. En dat ik ook op zijn vrouw ben gedoken, evenmin. Ze was zo mooi droef, en haar kind had niets in de gaten. Aan het joch was verteld dat zijn vader was gaan varen en snel zou terugkomen, op een cruiseschip met honderd koelkasten, nog gevuld van de laatste vaart.

Na één keer wist ik het al: dat dit niet zo’n werfhoer was zoals ik ze ken. Deze vrouw was niet zo verrot als die sloopvrouwen hier, die nog inhaliger zijn dan hun mannen, die elke plek op hun lichaam al eens aan roestig staal hebben opengehaald. Deze vrouw had schone, zachte handen bijvoorbeeld – nou, die kom je op sloopstranden niet tegen.

We hebben altijd naar leugens gevaren. Niet alleen op de poorten van de sloopwerf kun je ze lezen:

Geen kinderarbeid!

Geen milieuverontreiniging!

Veiligheid eerst!

Ook op dit dek is de leugen lang de enige waarheid geweest. Ze noemen me Captain, maar ik heb enkel een pet opgezet, de bevelen uit mijn hoofd geleerd. Orders uitgedeeld.

Gehoorzamen is een prachtig begrip als je weet aan welke kant van het woord je moet staan. Te veel mensen denken dat je eerst moet gehoorzamen als je ooit gehoorzaamd wilt worden. Is dus niets van waar. Je moet weten wanneer je moet schreeuwen en wanneer je je bek moet houden – that’s all.

Ze beefde toen ik haar na de seks vasthield. Deze vrouw had schone handen maar beefde als een vieze, kapotte scheepsmotor. Ik had haar eerder weleens zien onderhandelen met opkopers en bieders, dan was haar stem ruw en waren haar gebaren groot en hoekig. Maar nu ze bij me lag en zweeg of kreunde, leek ze een klein diertje. Een blind meeuwenkuiken, zoals we die soms uit de kieren van onze schepen moeten vegen.

Ik vroeg wanneer haar man haar voor het laatst had aangeraakt. Kon ze niet zeggen. Ze wees naar de hond, die slap als een stuk touw op de grond lag te slapen.

Knuffel, zei ze, en nestelde zich nog dieper in mijn omarming.

De volgende ochtend had ze een plan. Ik mocht haar nieuwe man worden en de handel overnemen. Haar idee: captains kennen hun schepen. Captains weten precies waar de turbines en cilinders zitten. Captains kunnen die ongezien voorbij de sloopwacht hijsen, gewoon, omdat ze captains zijn. Ze zei: ‘Mijn man had staalsnijders in dienst. Die mag je zo mee. Kun je op zee al beginnen.’

Ze had eenzaamheid in mijn ogen gezien, voegde ze daar opgeruimd aan toe. Ze was geen blind meeuwenkuiken meer, eerder een scherpe moedermeeuw. Die eenzaamheid herkende ze, zei ze, want het was dezelfde eenzaamheid die de ogen van haar man had ontsierd, en die nu in de ogen van haar kind begon te groeien, en zelfs in die van haar hond. ‘Jij moet geen schepen naar sloopstranden varen,’ zei ze. ‘Jij moet met je schepen naar een haven toe.’ Ze tikte onhandig tegen haar eigen borst.

Ik heb nog nooit een vrouw gehad, omdat dit soort uitspraken me normaalgesproken nogal benauwt. Nu raakte het me. Ik deed twee dingen die ik nog nooit eerder had gedaan: ik liet een traan rollen en ik gehoorzaamde haar.

De vis op de werf smaakt naar schoonmaakmiddel. Het zou me niets verbazen als de hele zee naar schoonmaakmiddel smaakt. Onderdeel van het grote wraakplan van de zee? Al die tonnen plastic, al dat vrachtverkeer, al dat loze, oude ijzer? Hier – we vergiftigen alles wat je hebben wilt, we verzwelgen wat je lief is!

Maar sinds ik haar ken is dat grijze water een vriendelijke, trage, reus. Ik schreeuw minder, ik houd vaker gewoon mijn bek. Sinds ik haar ken maakt de verziekte vis me weinig meer uit. ‘s Avonds in bed googelen we verschillende turbines. Zij weet precies welke types er zijn, welke onderdelen het meeste geld opleveren. Ze is prachtig als ze over geld praat, als ze speculeert over verkopen en winst.

Het sloopstrand is in zicht. Een haven kun je het eigenlijk niet noemen, een paar kleine kantoortjes zijn het, mensen die zich ‘opzichter’ of ‘douanier’ noemen. Kinderen soms nog.

Ik voel me oud, ik weet niet of dat door mijn huid komt, die de ruwheid van roest heeft gekregen, of doordat zij me dat gezegd heeft.

‘Je wordt oud, captain,’ zegt ze, ik zie het haar zeggen, het maakt me rustig. ‘Jij wordt oud. Ik doe de zaken, jij hoeft alleen maar heen en weer te varen.’

Ik hoef alleen maar de zoute wind aan mijn haren te laten trekken. Ik hoef alleen maar naar beneden te kijken, naar de golfjes die duwen en duwen en blijven duwen. De golfjes worden nooit moe, die worden nooit oud.

Bruto tonnage: 39906. Al dat koude staal onder mijn voeten is geen eenzaam landschap. Hier zijn geen leugens meer. De wraak van de zee – wat een onzin. Dit oude ijzer is geld en liefde. Geld en liefde zeg ik je! En waar meren we aan? Wat zien we aan deze rommelige kust? In welke bedden zullen we slapen, in welke hotels zullen we ontbijten? Welke universiteit zal ons joch bezoeken? Hoe warm zal de douche zijn? Op welke stranden zullen we liggen?