< HET PERSONAGE
SELIN KUŞÇU
Ontdekkingsreiziger tegen wil en dank

1.

Hoe wordt een koers bepaald? Benoemen we een begin, of is die er vanzelf al? Met elke gedachte die ik heb over dat beginpunt, schuift het steeds iets verder terug in de tijd, totdat de tijd niet verder terug kan. Tegelijkertijd schuift het ook ver vóóruit, tot voor ons uit.

Ik bedoel: stel, je bent een schipper, dan weet je met wat voor schip, hoeveel bemanningsleden en vanaf welke haven het schip uitvaart. Maar ligt het beginpunt van de koers bij het moment dat de scheepshoorn het vertrek uit de haven aankondigt; Of begint het bij de man die de schipper, toen hij nog jong was, zijn eerste zeekaart overhandigde en leerde lezen?

Eenmaal onderweg wordt iedere koers bijgesteld. Dat komt door de wind; die kan je dwingen eerst naar Brazilië te varen om vanaf daar terug te kaatsen naar de Afrikaanse kusten. Er zijn stormen die de schipper gebieden dagen voor anker te gaan. Er zijn zeerovers die de bemanning overvallen of vermoorden. En er is scheurbuik, omdat het proviand dat in het ruim ligt opgeslagen bederft op het moment dat het schip over de evenaar vaart: vlees verrot, beschuit beschimmelt, bier bederft, het water stinkt en de boter smelt tot dunne olie. De bemanning wordt ziek, velen sterven. Dit alles komt later.

2.

Jij werd geboren in 1565 in Gouda. Gouda klinkt voor mij zoals Zaandam, waar ik zelf geboren ben en niet wilde blijven. Zaandam had lang een grote industrie en is een belangrijke houthaven geweest, maar Gouda was pas echt een grote handelsstad. Een paar decennia voordat jij werd geboren was het nog de vijfde stad van Holland. Jijzelf had niet het geluk in die periode geboren te worden, want volgens de geschiedschrijving brak aan het einde van de zestiende eeuw de pleuris en de pest uit. De stad raakte in een ernstige economische crisis, werd meermaals bezet en het grote kasteel dat de haven moest beschermen werd gesloopt. Ik denk dat ook jij niet wilde blijven in de stad waar je vandaan kwam.

Met je familie had je het niet slecht getroffen. Je vader was succesvol als bierbrouwer: het gezin had geld en je vader had invloed. Ik kan me weinig voorstellen bij de vorm die rijkdom aannam in die tijd. Had jullie woning iets weg van de vrijstaande villa’s die aan het Vondelpark staan? Nee, die zijn veel te jong. Misschien zag je eruit als de opgeblazen jongens, die dikzakken, op de schilderijen van Vermeer of Jan Steen. Nee, ook nog 100 jaar te laat. Mijn god, wat ben jij lang geleden geboren. Maar ik weet nu wel ons beginpunt. 

3.

Je moet goed onderwijs gekregen hebben. Je had een goede naam en een bekende familie. Denkend aan hoe je leven zal verlopen, kan je niet dom zijn geweest. Het zijn eigenschappen die je moeilijk af kan schudden. Veel in het leven kan je achterlaten, maar dit neem je altijd mee. Jij had de middelen en mogelijkheden om te vertrekken en iets te gaan doen.

4.

Rond je twintigste besloot je in de leer te gaan bij Robbert le Canu, die “de schoolmeester van de groote zeevaart” werd genoemd en je leerde hoe met zeekaarten en nautische instrumenten om te gaan. Nu zeg ik wel dat jij dit besloot te doen, maar hoe weet ik dat? Je vader was een paar jaar ervoor al overleden en misschien was je wel gestuurd door je moeder of een oom. Of koos je wél in volle vrijheid je eigen koers? Misschien twijfelde je over welke kant je op wilde, zoals ik dat ook altijd doe, en heb je een willekeurige richting gekozen, of degene die het beste uitzicht bood.

5.

De afgelopen vierhonderd jaar is er meer over je geschreven dan toen je leefde. Er zijn maar een paar documenten gemaakt of bewaard van mensen die rechtstreeks met jou te maken hadden. Waarom willen we je zo graag bestuderen, willen we zo exact mogelijk weten welke koers je voer. En is het daarvoor nodig om je persoonlijkheid te kennen? Om de lijn op de wereldkaart betekenis te geven, moet ik jouw hoofd in. Hoe kom ik daar?

6.

Durf ik een begin te maken door je persoonlijkheid te schetsen? Je bent meer ongeduldig dan leergierig, denk ik. Je bent vaker arrogant dan sympathiek, denk ik ook. Dat beeld is niet mijn beeld, het komt uit de krantenartikelen ter ere van driehonderd jaar na, vierhonderd jaar na. In een artikel uit 1876 staat dat je ‘een mensch vol energie’ was. Zo aardig zie ik je nergens anders beschreven.

7.

Ik zeg het hardop tegen mezelf: bij wat ik over je lees mag ik niet in de val van de eenheid trappen. Verhalen worden verteld, niet geleefd. Het begin, het midden en het einde van ieder verhaal is achteraf bedacht. Als de samenhang achteraf bedacht is, is de rode lijn dat ook. Het echte leven is altijd veel complexer dan het verhaal erover. Die snippers over jou, die vangen je niet.

8.

Als je even oud bent als ik nu ben, maar dan in 1592, word je samen met je broertje Frederick door Amsterdamse kooplieden naar Lissabon gestuurd. Jullie hebben een missie. Jullie gaan de Portugezen bespioneren en informatie loskrijgen over hun vaarroute naar Indië en de Molukken. Die routes zijn door de Portugezen zorgvuldig geheimgehouden. Ze nemen hun geheim zo serieus, dat op het verspreiden van kaarten de doodstraf staat. Als jij die kaarten in handen krijgt, ben je een held in Holland. Zodra de Hollanders over deze zeekaarten beschikten, konden ze het economische risico nemen om schepen naar het oosten te sturen en er op grote schaal handel te drijven.

Maar jouw beweegredenen worden er niet duidelijker op. Een praktische aanleiding vind ik wel. Een van de negen Amsterdamse kooplieden die jou en je broertje eropuit stuurden, was jullie eigen neef. Was je bang toen je naar Lissabon vertrok, of hadden ze je misschien niet over de risico’s verteld? Als ik me je voorstel, waren jullie ervan overtuigd dat jullie niet het type jongens zijn dat in een gevangenis of op een schavot thuishoort. Dat is ook zo, want jullie vonden de gezochte informatie, maar werden ook betrapt en opgepakt. Jullie zaten niet lang vast. Het lukte de Amsterdamse kooplieden inderdaad om jullie vrij te kopen. Ik stel me voor dat jullie je onaantastbaar waanden en ik voeg dat woord toe aan de lijst die jou voor mij duidelijker moet maken. Ook schrijf ik op: hij was vast een adrenalinejunkie – onrustig, niet bang aangelegd en misschien ook wel naïef.

9.

Op 2 april 1595 voeren vier schepen van de Compangie van Verre vanaf Texel de zee op: de Mauritius, de Hollandia, de Amsterdam en de Duyfken. Op het eerste schip, de Mauritius, voeren 84 van de in totaal 250 bemanningsleden mee. Ook jij zat op dit schip. Aangewezen als het hoofd van de koopmannen was je een soort reisleider, degene die bepaalt waar het schip naartoe gaat. Zo kwam je aan je faam en sta je van Delfzijl tot Middelburg op de straatnaambordjes. 

“Cornelis de Houtman. De eerste Nederlander die naar Oost-Indië voer.”

Had jij het verlangen dat je koers door zou zetten eeuwen na je dood, of hield je je bezig met hele andere dingen? Je was ruw en ontactisch en steeds in conflict met zowel medeopvarenden als de inheemse bevolking. Je had ruzie met de kapitein van een van de schepen en een andere koopman kon jouw bloed wel drinken. Je handelde in strijd met de schriftelijke instructies die je van je opdrachtgevers had meegekregen en op Bantam werd je gegijzeld door de plaatselijke hoofden. Oh ja, en gierig was je ook nog. Je moet de dood goed hebben gekend, want bij terugkomst waren er nog maar 89 van de 250 bemanningsleden over.

10.

Krijg ik je al scherper in mijn hoofd?

11.

Cornelis, was je een starre, verwende jongen die zijn zin doordreef en zich niet goed kon verplaatsen in anderen? Je vader was vroeg overleden, je ging naar een goede school, je mocht na bemiddeling van je neef de held uithangen in Portugal. Op je tweede reis werd je, samen met een groot deel van de bemanning, vermoord op bevel van de sultan waar je handel mee dreef. Je miste flexibiliteit en aanpassingsvermogen. Was je eigenlijk wel een avonturier, een ontdekkingsreiziger? Misschien niet. Hield je je het liefst opgesloten in je hut, in je hand een kompas en potlood, het bureau bezaaid met zeekaarten. Jouw wil was wet. Je koers was geen slimme koers, geen dappere koers, geen domme koers, maar de koers van een starre man die het leven in een rechte lijn wilde leven.

Nee, wacht, ik moet weg hier. Ik moet nu niet zelf de ontdekkingsreiziger uit lopen hangen.

12.

Ik meende dat ik de koers vanuit jouw beginpunt had gevolgd, met eerst een stip op het papier en daarna een lijn die uit één penstreek doorgetrokken was. Maar ik heb me vergist: er bestaat niets anders dan een constructie achteraf. Ik kan alleen achteruitlopen. Op die manier valt er weinig te ontdekken. Terwijl ik tevergeefs staar naar de contouren van jouw koers, ben ik vooral steeds scherper gaan zien hoe jij de koers van ons land hebt vormgegeven. En over wat ik daarvan vind, heb ik nog niet eens iets gezegd.