< HET PERSONAGE
ROELOF TEN NAPEL
Het bewaren waard

Mij werd gevraagd na te denken en te praten over hoe voorwerpen aan hun waarde komen, en welke rol het verhaal daarin speelt. Ik weet eigenlijk niet of ik die vraag beantwoord – dat laat ik maar aan de lezer. Wat ik te zeggen heb is dit.

1.

Op mijn kamer, in een rode houten schaal, ligt een schoenlepel. Ik gebruik hem vrij vaak, en begrijp eigenlijk niet waarom de schoenlepel geen alledaagser gebruiksvoorwerp is in de levens van andere mensen. Men gebruikt doorgaans een duim om die verdomde hak iets makkelijker in de eigenlijk-net-te-kleine opening van hun schoen of laars te krijgen. Schoenlepels zijn, als het erop aankomt, niet van levensbelang – misschien zelfs een beetje overbodig.

Mijn schoenlepel is iets meer dan honderd jaar oud, gekerfd uit de hoorn van een koe. Er zit een lichte scheur in, al voel je daar niks van. In het deel dat misschien het handvat genoemd kan worden, hoewel een schoenlepel amper een handvat heeft, staat een jaartal gekrast.

Hij is geslepen door één van mijn voorouders, ik geloof van vaderskant, en aan vaderskant van vaderskant – de vader van mijn vaders vader, niet mijn vaders moeder. Je zou kunnen zeggen, zonder er erg ver naast te zitten, dat ik vrijwel niets over het voorwerp weet. Ik weet ook niet of ik dat eerder wel wist en het vergeten ben, of dat het me nooit uitgebreider is verteld.

Wat ik weet is dat er een man was die één jaar na niet de laatste, maar de vorige eeuwwisseling een koeienhoorn had – het dier overleden of geslacht, gok ik – die hij omsleep tot een schoenlepel, misschien als tijdverdrijf. Ik denk dat hij de keuze voor het voorwerp afleidde uit de vorm die het materiaal al had, denk niet dat hij al tijden een schoenlepel wilde en specifiek daarom een koeienhoorn had gezocht.

In elk geval bestaat het ding, zijn werk, nu iets meer dan honderd jaar, en ligt het ergens in Utrecht. De waarde ervan zit hem voor mij in het gebruik. Het is een erfstuk, maar het heeft weinig verhaal – wat ik mooi vind is dat er een handvol mensen bestaat, verspreid over een eeuw, nu, die regelmatig hun voet in hun schoen duwden met behulp van hetzelfde stuk geslepen bot.

 

2.

Sinds een paar weken staat er voor de kast met het schaaltje waarin de schoenlepel ligt een bureaustoel. Beter gezegd: staat er een bureaustoel in de weg. Ik ging een dag met een vriendin wat lunchen, en nadat we wat hadden gewandeld, ontspoorde dat plan behoorlijk. Flink samengevat stonden we aan het begin van de avond in de IKEA. We zochten een tuinstoel voor haar balkon, maar ik kocht in een opwelling een nieuwe stoel voor mijn bureau.

Dat was niet helemáál zonder aanleiding: veel mensen die, als ze langskwamen, op die stoel moesten zitten, hebben benadrukt dat hij verschrikkelijk was. Het zitvlak is, hoewel er iets overheen zit dat op een kussen moet lijken, meer een plank, en in het kussen-achtige gedeelte zitten twee scheuren. De wieltjes rollen niet. Als je de stoel wilt verhogen of verlagen, moet je eraf stappen, en hem een beetje schudden, anders blijft hij vastzitten.

Het is, van alle kanten, géén werkende bureaustoel.

Eenmaal thuis zette ik de nieuwe bureaustoel in elkaar – met een dikker kussen, werkende wieltjes, enzovoort. Waarschijnlijk ook beter voor m’n rug, hoewel stoelen dat in principe überhaupt niet schijnen te zijn. Toen hij in elkaar stond, begon m’n vriend de oude bureaustoel naar de gang te tillen.

En blijkbaar wilde ik dat niet. Ik stond even in de gang naar die stoel te kijken, pakte hem weer op, en zette hem terug in de kamer, waar hij nu nog steeds staat, op een volstrekt onhandige plek, en ik loop er nu dus al een tijdje steeds met een kleine boog omheen.

 

3.

In een stuk over kunst en vandalisme merkt Ben Lerner op dat we aan vandalisme kunnen zien dat wat we bewonderen in kunst uiteindelijk toch weer geld is. Hij doelt niet op het feit dat er veel geld in de kunstwereld zit. Hij bedoelt dat de grenzen van kunst vaak nog steeds worden bepaald door geld: als een beroemde kunstenaar een ander werk vernielt of aantast, is dat een radicaal soort avant-gardisme, maar als een willekeurige bezoeker het doet, is het vandalisme. Dat heeft er vooral mee te maken, laat Lerner zien, dat de eerste daad het werk economisch waardevoller maakt. Vandalen die hetzelfde idee hadden – het werk waardevoller te maken door het aan te tasten – houden geen rekening met het verschil in geldwaarde tussen hun handtekening en die van, bijvoorbeeld, Warhol.

Veel destructieve kunst brengt vaak nog steeds een product voort: ofwel een gebeurtenis die je, tegen betaling, kunt bijwonen, of brokstukken, misschien een fotoboek. Daarnaast is veel kunst die antikapitalistische ideeën uitdraagt doorgaans nog steeds gewoon te koop. Met andere woorden, het idee dat sommige spullen waarde krijgen door hun verhaal kan wel kloppen, maar verhult ook dat sommige verhalen waardevoller zijn dan andere. En de redenen daarvoor zijn misschien lelijker dan die mooie gedachte doet vermoeden.

 

4.

De vraag waar het op neerkomt is misschien: wanneer is iets het bewaren waard? Het verschil tussen avant-gardisme en vandalisme is dan te begrijpen als het feit dat sommige kunstwerken het niet waard zijn te bewaren omdat ze meer opbrengen als ze – door de juiste persoon, in de juiste context – worden vernield. De schoenlepel van mijn voorvader is door een soortgelijke kosten-batenanalyse te halen: (1) hij neemt weinig ruimte in, (2) is betrekkelijk handig, (3) stevig, en (4) doet z’n werk goed. Ik stel me mensen voor die steeds weer, verspreid over de vorige eeuw, zeiden: we gebruiken hem nog.

Vaak wordt de vraag of iets het waard is te bewaren helderder wanneer je dat al even hebt gedaan. Bewaren doe je eigenlijk altijd voor iemand anders: ofwel voor het nageslacht, ofwel voor jezelf, maar later. En die ander kan bepalen of dat nu nodig was of niet: bewaren is eigenlijk vooral hopen dat iemand iets inderdaad nog kon gebruiken (zij het als gebruiksvoorwerp, of om tentoon te stellen).

Een veiling brengt de vraag naar wat het bewaren waard is terug naar die geldwaarde. Een veiling bestaat bij gratie van het geloof dat spullen waard zijn wat iemand er nog voor bereid is te betalen – wat het bewaren waard is is dat waarvoor je nog iets vangen kunt.

In het geval van m’n bureaustoel is van die twee dingen – bewaren omdat je hoopt dat iemand het nog gebruiken kan, en bewaren omdat je hoopt dat je er nog iets aan verdienen kunt – geen sprake.

Het is, zoals ik al zei, een verschrikkelijke bureaustoel. Hij zit, voor mij, inmiddels comfortabel, maar dat is meer omdat mijn lichaam zich na acht jaar aan die stoel heeft aangepast, dan dat die stoel me op een of andere manier goed ondersteunt.

 

5.

Ik wou dat die stoel het bewaren waard was, en mijn moeite hem weg te gooien komt voort uit het besef dat hij dat, overduidelijk, niet meer is. Dat hij dat enkel was door de relatieve armoede waarin ik hem kocht, en dat met het verdwijnen van die armoede die stoel voor mij even waardeloos geworden is als hij, toen ik hem nog gebruikte, voor de meeste mensen al was. En ik heb het gevoel alsof die stoel dat niet verdient.

In de zomer voordat ik op kamers ging, heb ik een aantal maanden gewerkt. Van het geld dat ik daarmee verdiende, samen met geld dat ik had gespaard met mijn krantenwijk, betaalde ik eerst de borg van mijn kamer, en een eerste maand huur (omdat ik die kamer vanaf augustus moest betrekken, en pas van de overheid kon lenen vanaf september). Met het geld dat overbleef, kocht ik m’n eerste meubels: een hoogslaper, een boekenkast, die bureaustoel.

Het was, met andere woorden, zo goed als al het geld dat ik toen had, en mijn ouders waren niet rijk genoeg om daar veel aan toe te voegen. Ik heb dat, toen ik jong was, nooit goed ingezien. We zeiden wel dat we arm waren, maar ik kende ook niet anders, dus ik wist in feite niet wat dat te betekenen had. Het voelt ook nog steeds vreemd om te zeggen dat we dat waren, omdat er mensen zijn die nog veel armer opgroeien dan ik deed, maar er bestaan, besef ik nu, vooral ook veel mensen die rijker zijn dan wij waren, en we zijn er in Nederland vooral erg goed in weg te wijzen als het daarover gaat – de armen wijzen altijd verder omlaag, de rijken verder omhoog, en zo zit iedereen in het midden, terwijl sommige mensen een tweede huis hebben, en anderen incasso’s terugboeken voor boodschappen.

Wat er aan de hand is, is dat ik iets gedaan heb wat ik vroeger nooit zou hebben kunnen doen. Ik kocht, spontaan, een bureaustoel waarvan de geldwaarde hoger ligt dan het geld waarmee ik eerder door een maand heen kwam. Ik ben dus, sinds ik op kamers ging, behoorlijk van mijn ouders vervreemd, en begrijp nog steeds de vorm van zekerheid niet die ik nu ietwat heb – hoewel schrijven allesbehalve een stabiele baan is.

En nu staat die bureaustoel daar. Ik heb er acht jaar in gezeten, ben er acht jaar niet in weggerold.

Wat zeer doet, is vooral hoe gemakkelijk ik hem nu weg kan gooien – dat de beste stoel die ik ooit kon aanschaffen door een oprisping overbodig kan worden. Begrijp me niet verkeerd, ik kan niet dagelijks een bureaustoel kopen. Maar een uitgave te doen zonder voortdurend te rekenen is me eigenlijk nog steeds vreemd. Toen een vriend van me ooit opmerkte hoe horkerig ik was als mensen iets van me leenden besefte ik pas dat dat niet meer hoefde.

Er is in feite nog een derde reden om iets te bewaren. Of misschien is het geen derde reden, maar het spook van de eerste twee. Ik koester geen enkele waan dat de stoel die daar staat ooit nog iets waard gaat zijn in financiële zin. En ik vermoed niet dat er iemand is die hem nog gebruiken kan, sterker nog, ik gun niemand zo’n gebrekkige stoel.

Maar ik dat ik wou dat dat anders was. Ik wou dat dat ding nog een nut kon dienen. Ik ben de stoel aan het bewaren omdat ik zou willen dat hij het bewaren waard was. Het spook van een verlangen: ik handel alsof hij het waard is, omdat ik niet helemaal erkennen kan dat dat niet zo is.

Ik ben geloof ik ook een beetje boos. Boos dat er blijkbaar een laag mensen bestaat, niet eens zoveel rijker dan de mensen die wij waren, voor wie de spullen die ik had min of meer waardeloos zijn. Een beetje boos dat zulke mensen bedragen spenderen aan mooie spullen uit allerlei windstreken, terwijl bij ons de stress toenam naarmate het einde van de maand naderde. En boos dat ik me, in feite, schaam omdat ik trots was op die stoel, omdat ik er hard voor had gewerkt, en nu geconfronteerd wordt met het feit dat waar ik hard voor werkte, vanuit het oogpunt van die mensen, vooral behoort tot de categorie “grofvuil.”

Ik heb naast die bureaustoel, die dag, ook nog een nieuwe bureaulamp gekocht, en ik wil dat dat me niets anders doet voelen dan behalve, misschien, tevredenheid.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet per se tegen inkomensverschillen. Maar ik ben boos, kort gezegd, op waar mijn schaamte vandaan komt, en dat die schaamte een manier is waarop armoede zichzelf censureert. Ik zou me niet moeten schamen voor mijn stoel – mensen op veilingen zouden zich enigszins moeten schamen voor het omhoogtillen van hun nummerbordje. Of hoe de fuck een veiling ook maar werkt.