< HET PERSONAGE
MAARTJE WORTEL
Meloen

Mijn moeder is een hoarder. Ze sleept alles wat ze kan vinden mee het huis in. Een keer in de twee weken zetten de bewoners van het dorp spullen aan de kant van de weg die ze niet meer kunnen gebruiken of die stuk zijn. 
Het zijn gewoon spullen, vaak niet eens bruikbaar of mooi, maar mijn moeder zegt: Niets gewoon spullen. 

In haar jeugd is ze samen met haar vader naar Japan afgereisd. Dat was uitzonderlijk in die tijd. Mensen reden met de caravan naar Frankrijk of Terschelling. Niemand vloog naar Japan. Het was in dezelfde periode dat stewards en stewardessen iemand waren, ongeveer gelijk aan popsterren, een uitzonderlijke soort. 

Mijn moeder zegt: Stewards en stewardessen zijn nog altijd iemand, maar dat ziet niemand meer omdat we er anders naar zijn gaan kijken. Hoe je kijkt bepaalt wat je ziet. En soms bepaald de tijdgeest. Zulke uitspraken doet ze altijd. Mijn moeder is het type mens dat heel veel zegt en tegelijkertijd niets. Soms vergelijk ik haar uitspraken met Schrödingerskat. Je weet niet of haar uitspraken levend zijn of dood, meestal hangt het ergens tussen de absolute waarheid en complete onzin in. Toch blijf ik goed naar haar luisteren, omdat er altijd een schat tussen haar woorden verborgen kan zitten. Ze zegt: Zo is het ook met spullen. Ze heeft het dan niet over de schat waar ik het over heb, maar over de stewards en stewardessen die tegenwoordig als normale mensen gezien worden. Ze zegt: Dingen kunnen razendsnel hun waarde verliezen, en dat is dankzij de armoede van de menselijke geest. Ze zegt: Net als naar mensen moet je goed blijven kijken naar spullen. Alles is iets. Soms wordt het zelfs meer. 

In minder gelooft mijn moeder niet. Dat zie je terug aan het huis dat zij bewoont. Het huis ziet eruit alsof mijn moeder er nog maar net tussen past, eigenlijk niet welkom is. En ook al komt zo iemand als Marie Kondo uit Japan, toch denk ik dat mijn moeder zoveel haar huis in sleept juist dankzij haar bezoek aan dat land. Ze heeft ervoor gekozen om in alles wat er op de wereld bestaat te geloven, aan alle dingen oneindige waarde toe te kennen. Ze zegt: Als je eenmaal begint te kijken door een bril van betekenisloosheid, kan je net zo goed meteen dood. Om vervolgens te vragen: Zie je me liever dood, lieverd? 

Zacht zeg ik dan: Nee, mama. Dat niet. Dat natuurlijk niet. 

Vroeger vertelde mijn moeder me voor het slapengaan verhalen over Japan. Ze stopte me in bad, waste mijn haar met grote precisie, droogde me heel traag en voorzichtig af. Tijdens dit wasritueel bleef ze zwijgen. Als ik eenmaal met gekamde haren in bed lag, kwam ze naast me liggen. Ze zei: Als je iets groter bent gaan we naar Japan, je zult zien dat je zoiets als een meloen voortaan extra zal gaan waarderen. 

Dat van die meloen ben ik nooit vergeten. Voor mij betekent een meloen nog altijd veel. 

Waarom een meloen? Vroeg ik.

Ik noem maar iets, zei mijn moeder. Maar een meloen is veel belangrijker dan je denkt. Meloenen zijn een soort Goden in dat land. Ze liggen daar niet zoals hier wat boven op elkaar in een kist; ze krijgen de ruimte. 

Iedere meloen ligt op een lakentje met minstens vijftig centimeter ruimte tussen waar het ene stuk fruit ophoudt en het andere begint. 

Als je een meloen op een lakentje ziet liggen, zei mijn moeder, vraag je je af waarom je nooit eerder zo goed naar een meloen keek, waarom je niet eerder besefte dat een meloen inderdaad een parel is, een goddelijk geschenk, iets dat vrij moet zijn van al het andere. 

Mijn moeder leerde me dat de mensen in Japan geloven dat alles een goddelijke ziel heeft. Mensen, dieren, planten, dingen. Alles. God zit in een kandelaar, God zit in een kast, in een lamp, in iedere straatsteen. Ze zei: Als je er voor openstaat kun je antwoorden van je omgeving verwachten. 

Als ik bij mijn moeder op bezoek kom, denk ik: Het antwoord dat zij voor zichzelf gezocht heeft is dat er, in tegenstelling tot de meloenen, geen ruimte voor haar is, noch voor mijn vader, die op een zeker moment, zoals hij het zelf zei niet meer tegen de gekte kon en is vertrokken naar een ander huis, in een ander dorp. Zoals anderen zich uithongeren, zo maakt mijn moeder zich klein, haast onzichtbaar, door haar steeds groter groeiende verzameling aan goddelijke zielen. 

Mijn vader liet van de een op de andere dag alles achter. Hij hoefde niets meer te maken te hebben met alle Goden die mijn moeder om zich heen verzameld had. 

Je lijdt aan godsdienstwaanzin, zei hij. 

Slechts één object nam hij mee. Dat was een percussie pistool met houten ornamenten. Het ding kwam uit achttienhonderd nogwat. Eerder waren er geweren met een vuursteenslot, die een seconde bleven hangen als het regende, wat het raak schieten bemoeilijkte. 

En het regent in Nederland bijna altijd, had mijn vader gezegd. 

Wil je iemand doodmaken? had ik hem gevraagd. 

Mijn moeder schreeuwde dat mijn vader alles al doodt met zijn blik, dat hij levende dingen levenloos maakt omdat hij onvoldoende gelooft, vertrouwt en liefheeft. Dat zo’n klotepistool daar niet overheen kan. 

Maar volgens mij hield mijn vader zielsveel van dat pistool. Hij zei dat hij een boek had gelezen van de schrijver Richard Brautigan en dat het hoofdpersonage een jongetje was dat de naam Lee Mellon droeg. Die jongen had een dollar te besteden. Hij twijfelde of hij een hamburger moest kopen of een kogel. Hij kocht een kogel, loste een schot in de tuin en schoot daardoor per ongeluk zijn buurjongen dood. Door dit voorval raakte Lee Mellon geobsedeerd door hamburgers. Omdat een hamburger hem een tegengesteld leven had kunnen geven, hem had kunnen redden van wie hij nu was geworden: iemand die zijn buurjongen heeft doodgeschoten. 

Mijn vader zei: En daarom hou ik van dit pistooltje. 

Pistool, zei mijn moeder. 

Wat?

Je zegt pistooltje. Het is een pistool. 

Wat heeft dat boek ermee te maken, vroeg ik. 

Mijn vader zei dat ik te eendimensionaal dacht.

Dat boek heeft er helemaal niets mee te maken, zei mijn moeder. Hij vindt het een mooi boek. Hij is dol op dit pistool. Het boek doet hem aan het pistool denken en andersom. 

Dus het heeft er toch iets mee te maken, zei mijn vader. En het is een grap dat jij, van alle mensen die kunnen zeggen wat het één met het ander te maken heeft, komt vertellen dat het er niets mee te maken heeft. Het begon godverdomme bij een meloen.

Wat begon bij een meloen? vroeg mijn moeder. 

Jouw geloof, zei hij. Al die zielen die er in dode dingen schuilen. Al die verhalen.

Jij maakt er nu toch zelf ook een verhaal van? zei mijn moeder. 

Ik vind het een mooi pistooltje, zei mijn vader.

Pistool. 

Mijn vader kreeg het van zijn vader toen hij ging trouwen. 

Een wapen als huwelijkscadeau? vroeg mijn moeder.
En zo ging de discussie nog even door. 

Van alle dingen waar mijn moeder een heilig geloof in had, zag ze toch het minst in dat pistool. Ze had dat ding zonder al te veel weerstand door mijn vader mee laten nemen. 

Maar nu had mijn moeder voor de etalage bij de groenteman, gewoon op straat, een kist meloenen gezien. Opeens overviel de schoonheid van die kist vol meloenen haar. Omdat ze plotseling snapte dat ze de dingen bij elkaar moest zien te brengen. Dat je een meloen op een lakentje kunt leggen, maar dat die kist vol meloenen zoveel meer zei. Dat die groep meloenen pas echt iets betekenden. Ze was plotseling dood nerveus geworden door de afwezigheid van het pistool. Alsof, doordat dat ene pistool in haar verzameling ontbrak, de anderen objecten iets van hun waarde waren verloren. 

Er moet evenwicht zijn, zei ze. 

Ze zei: Haal het pistool van je vader. 

Ik zei: Kan je dat zelf niet doen?

Ze zei: Je weet dat ik hem nooit meer spreek.

Ik zei: Een pistool lijkt me een prima begin. 

Mijn moeder zei, en dat had ik niet verwacht: Misschien heb je gelijk. Ik ga het pistool halen. Voor het pistool. Voor de overige dingen. 

Ze zei: Ik geloof in dat ding. Ik heb er eerder niet goed genoeg naar gekeken. 

Ik zei: Mama, is het echt zo belangrijk voor je? Je gelooft in alle dingen. 

Daarom juist, zei ze. 

Ze ging op haar fiets naar mijn vader die twintig kilometer verderop woont. Om er zeker van te zijn dat er niets mis zou gaan, ben ik toen vast hamburgers gaan bakken. Je weet nooit wat het één met het ander te maken heeft. Zeker niet in het geval van een pistool.